Nieuwe wending

Zo stond ik in de eerste dagen van januari 2016 op het bureau bij Hoofd KennisCentrum Grondgebonden Lucht en Raket Verdediging (KC GLRV), Luchtmacht Overste Frank Zwarts, zonder eerder kennis te hebben gemaakt. Kenniscentrum werk was natuurlijk niet nieuw voor me, en ook de ervaringen vanuit het LTC/ LWC bleken heel bruikbaar. De eerste periode heb ik vooral gekeken naar wat ik voor het DGLC kon betekenen. En al in ons eerste gesprek hebben we vooral ook afgesproken dat ik niet zou proberen om Luchtverdediger te worden. Mijn expertise lag vooral bij de manoeuvre, en dat zou dan ook de eerste insteek zijn. Ook zou ik inzoomen op luchtnabijbeveiliging (AAAD ) omdat daar een verhoogde interesse voor was, en als ik me zou vervelen was er nog een dossier waar Frank geen capaciteit voor had; tegenmaatregelen tegen drones. Dus als ik me op termijn ging vervelen kon ik daar op terug komen. De overgang vanuit mijn burn-out naar weer werken verliep veel soepeler dan ik had verwacht, ik wilde ook gewoon weer vol aan de bak. Al was dat in het begin niet eenvoudig. Ik kon niet op de computer bij de bestanden en het duurde bijna drie maanden voordat ik volledig aangesloten was. Natuurlijk was een en ander het gevolg van een plaatsing zonder dat er daadwerkelijk plaats voor me was. Dus werd ik dubbel geplaatst, en had ook nog eens twee verschillende PeopleSoft managers waar ik verantwoording aan moest afleggen. Maar goed, dat soort zaken zijn normaal bij een dergelijke abnormale plaatsing. Binnen het KC werd er in eerste instantie best een beetje vreemd gekeken, al had ik heel snel een goede klik met een aantal Onderofficieren, Marcel, Ronald, Jeroen, waardoor ik me al snel helemaal thuis voelde.

Na verloop van tijd werd duidelijk dat er met Manoeuvre en AAAD voor mij te weinig uitdaging op de plank lag. Ik had inmiddels goed zicht op wat de diverse delen van het DGLC inhielden en kwam tot de conclusie dat er in dit onderdeel met een mix van 50% luchtmachters en 50% landmachters behoorlijk wat cultuurverschillen bleven bestaan, ondanks dat men toch al behoorlijk lang op elkaar was aangewezen. Ik stelde aan C-DGLC voor om te bezien of er mogelijkheden waren om aan de slag te gaan met vorming, en dan met name de focus op mentale vorming. Ik onderzocht de zaken, en kwam al vrij snel tot de conclusie dat de landmachters van het DGLC vrijwel in niets leken op de rest van de landmacht, maar datzelfde gold ook voor het luchtmachtpersoneel ten opzichte van de rest van de Luchtmacht. En beide categorieën luchtverdedigers leken eigenlijk veel meer op elkaar dan ze zelf voor mogelijk hielden. Om invulling te geven aan schreef ik een voorstel voor een eigen DGLC visie vorming en een plan om dit DGLC breed te implementeren. Er kwam groen licht en er ontstond een werkgroep vorming met deelname vanuit alle eenheden. Met die werkgroep zijn we aan de slag gegaan, hebben de visie verder doorontwikkeld, een DGLC credo gemaakt en kernwaarden voor het DGLC vastgesteld. Voor het gebruik werd een Memorandum Vorming (omdat de Luchtmachters niet van het woord Instructie Kaart houden) gemaakt, die verdacht veel leek op de IK 2-16, die ik samen met het ECOD had opgesteld (zie vorige blog). De reden om een eigen visie en eigen kernwaarden te hebben was het logische gevolg dat het geen landmacht-dingetje moest zijn, om ook de luchtmacht aan boord te houden. Mooi om te zien dat inmiddels de kernwaarden DGLC een vaste plek hebben gekregen in het gedachtegoed van veel leidinggevenden binnen de Luchtverdediging.

Tussendoor kreeg ik een opdracht om voor C-DGLC een presentatie te verzorgen voor de NOS in het kader van Nederland Radarland. Daarin werd ik door de verslaggever voor het Nederlandse publiek toch weggezet als Adjudant Luchtverdediging, inclusief een duidelijk shot met onderschrift bij 1Vandaag. Je snapt wel dat zoiets voor de collega’s van DGLC best een ludiek moment was.

Ondanks de diversiteit aan werkzaamheden bleef er snel veel tijd over. Dus kwam ik terug op het aanbod van Frank en begon te studeren op wat we inmiddels Counter Unmanned Aircraft Systems (C-UAS) noemen. Naast veel leeswerk en aanhoren van diverse meningen werd de samenhang der dingen steeds duidelijker. De hechte relatie met AAAD, de aansluiting met de manoeuvre, de gegarandeerde capaciteit voor Militaire Bijstand en de noodzaak voor inzicht in een dergelijk capaciteit werden steeds duidelijker. Voor deze taak werd het DISCUS systeem ingezet, dat echter eigenlijk was ontwikkeld voor grondwaarneming. Veel openbron informatie leverde erg veel informatie op, waarbij steeds verder een duidelijke lijn voor de Nederlandse visie op dit gebied helder werd. Ik maakte een eerste DoctrineBulletin dat natuurlijk vooral pas na verschillende keren gebounced te zijn werd goedgekeurd. En toen hadden we plots een echte eigen visie. Ik ging mee naar het NATO Hoofdkwartier voor besprekingen over de ‘gaps’ binnen Ground Based Air Defense. En ik vroeg, en kreeg, toestemming om naar de eerste C-UAS conference in London te mogen.

Steeds duidelijker werd de noodzaak om op dit gebied daadwerkelijk stappen te gaan zetten. De eerste echte stap was de opdracht om voor C-LAS een studie te schrijven over de oprichting van een capaciteit voor Nationale Operaties. Het blijft natuurlijk papier, maar de kennisopbouw is van groot belang. Jammer was wel dat de ultieme versie in handen kwam van een officier, die notabene de term C-UAS moest opzoeken. Maar voor Utrecht was het blijkbaar onmogelijk om een studie in het kader van de landmacht van Overmorgen door een niet gebrevetteerde of zelfs een Onderofficier te laten schrijven. Zuur, maar de praktijk was zo. Kon ik er iets aan veranderen? Nee, dus ik heb me er bij neergelegd, uiteindelijk.

Naast de theoretische benadering werd ook steeds vaker de praktijk opgezocht, in die periode heb ik samen met Ronald mijn vliegbrevet UAS gehaald. Inmiddels kwam ook de studie AAAD steeds verder af, en mankeerden alleen nog 2 praktijkmomenten; een waarnemingstest en een Life Firing eXercise (LFX). Daarbij liep AAAD en C-UAS bijna naadloos in elkaar over, en maakte we op beide fronten progressie. De LFX werd een succes, niet zo zeer voor wat betreft de treffers, maar wel voor wat betreft de gegevens die we verzamelden. Heerlijk om weer eens gewoon als Leider der Oefening (o nee, dat moest ook weer een officier zijn, op papier) in de Toren te zitten, doelen en wapensystemen aan te sturen en resultaten op te nemen. Schietbesprekingen, evaluaties en af en toe een klein biertje, gewoon een echte LFX dus!

Steeds duidelijker werd dat C-UAS een beter lot beschoren diende te zijn dan slechts 1 Subject Matter Expert. Ook binnen Staf CLAS en de Defensiestaf werd duidelijk dat er meer nodig was en zo kwam er, mede op mijn voorstel, een plan voor een kernteam met meerdere functionarissen. Inmiddels kreeg ik een uitnodiging om voor de NATO in het nieuwe hoofdkwartier een presentatie te verzorgen over de Nederlandse visie. Steeds weer een stapje dichterbij, in een wereld waarin de voorbeelden van de noodzaak voor tegenmaatregelen steeds duidelijker werd. Ik werd wel tureluurs van de dienstreizen; naar DenHaag; Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), Bestuur-staf Defensie, TNO, enz. Naar Driebergen; Nationale Politie. Naar Houten; Dienst Speciale Interventies. Een paar maanden voor mijn FLO receptie werd de zo noodzakelijke capaciteit werkelijkheid; het Kernteam C-UAS werd opgericht, met in eerste instantie alleen mijzelf als deelnemer. Maar als snel kreeg ik versterking van Ronald Pieters, een Luchtmacht adjudant die net met FLO was gegaan, en met heel veel goede moed aan deze klus mee wilde werken. Het Kernteam was verantwoording schuldig aan C-LAS rechtstreeks, maar werkte vooral voor de gehele Defensie organisatie. Later wijzigde de naam van het Kernteam naar Joint Nucleus C-UAS, een veel minderzeggende term. Helaas werd dit door de inmiddels aangetreden overste zo geaccepteerd omdat de Luchtmacht vond dat de term Kernteam beter bij hen paste….

Zelf was ik er eigenlijk vrij snel uit. Ik hoefde niet lang na te denken over de keuze die we voorgeschoteld kregen, namelijk de oude of nieuwe diensteinde regeling. Nadat we als Defensiepersoneel allemaal al eenzijdig 3 jaar extra aan ons broek hadden gekregen, dus in plaats van met 55 met 58 met Functioneel Leeftijds Ontslag (FLO) gingen. Die 3 jaar voelden om het eerlijk te zeggen als mogen, ik had ook nog niet het idee dat ik klaar was. Dat had niets met m’n burn-out te maken, of de manier waarop ik bij de Brigade weg was gegaan. Dat had ik ook daar zo ervaren. Maar om er nog eens 4 jaar extra aan toe te voegen vond ik echt te veel van het goeie. Een pantserinfanterist van 62 jaar, wie zit daar nu op te wachten? Of verworden we dan plots helemaal tot generalisten? Nee, voor mij dus geen polonaise, na 40 jaar zou er een einde komen aan mijn loopbaan als militair, als onderofficier en als pantserinfanterist. Ik begon dus uit te kijken naar wat ik na mijn loopbaan wilde gaan doen. Eigenlijk werd al snel iets bijna in mijn schoot geworpen; na al een paar keer opmerkingen in die richting te hebben gemaakt vroeg hoofd KC GLRV of ik als burger ingehuurd wilde worden voor 20 uur in de week, op mijn eigen functie van adviseur C-UAS. Daar hoefde ik niet lang over na te denken, al had ik al wel wat alternatieven bekeken. Maar erg concreet daarin werd ik nog niet, dus heb ik het aanbod aangenomen en was tenminste voor het volgende jaar mijn nabije toekomst geregeld.

In deze periode bleef ik natuurlijk zeer betrokken bij mijn Regiment. Enerzijds bij de Veteranen Vereniging Regiment Limburgse Jagers, waar ik al sinds de oprichting een bestuursfunctie bekleed, en anderzijds bij de jaarlijkse herdenkingen van de diverse collega’s die gesneuveld zijn. Ook kwamen in deze tijd twee boeken uit; de eerste geschreven door Gien Janzen, over het verlies van haar zoon; Verzonken Licht. De andere beschrijft de gebeurtenissen omtrent het sneuvelen van Jeroen Houweling; Dagboek van het Thuisfront. Bij beide boekuitreikingen was ik aanwezig, op persoonlijke titel.

Op 9 november was mijn FLO receptie, 40 jaar en 1 nacht na mijn opkomst op de SROKI (zie aflevering 2). Samen met Peter Kamphuis, mijn reddende engel na mijn burn-out, maakten we er een heerlijke happening van. Ik leerde van Grad Geven dat je niet moet wachten met bedanken van je achterban tot aan het einde van je toespraak, zoals meestal gebruikelijk was. Dus haalde ik Jacqueline al vrijwel direct naar voor omdat zij 40 jaar lang mijn steun en toeverlaat was, dat had niemand anders gepresteerd. Ik gaf haar een sieraad, om ook de komende jaren nog te herinneren hoe belangrijk zij voor mij is. Van Paul Paijens leerde ik om een metafoor te gebruiken, dus deelde ik alle uitgenodigden in bij een fictieve eenheid van bataljonsgrootte. Van hoog tot laag werd iedereen een plek toegewezen met een prominente plek voor Johan van der Voort. Hiermee kon ik tenminste mijn dank uitspreken voor de steun die ik mocht ondervinden van zovelen. De kans die C-DGLC me had geboden om in Limburg een doorstart te maken had voor mij de keuze om mijn FLO receptie niet in Oirschot bij het Regiment maar juist in het Limburgse te doen makkelijk gemaakt. Gelukkig stelde de Regimentscommandant het Vaandel en de Uitzendvlag ter beschikking, om in de Onderofficiersmess (ja, die hebben ze in Vredepeel nog wel!) wel de nodige Infanterie sfeer te kunnen garanderen. En zo kon ik afsluiten, onder het vaandel van mijn geliefde Regiment, samen met iedereen die zoveel voor mij betekend had in de afgelopen 40 jaar!

De laatste drie jaar van mijn loopbaan verliepen eigenlijk perfect. Nou ja, links en rechts kreeg ik wel wat pijntjes en blessures, dus sporten werd wel minder. Liep ik het eerst jaar nog regelmatig rondjes binnenkant hek werd dat steeds minder en begon ik ook fysiek steeds meer op een echte burger te lijken. Op het gebied van werken was het echter eerder een topplaatsing, en kon ik steeds beter mijn ei kwijt, al had ik een tijdlang het idee dat ik op mijn handen moest blijven zitten met de kennis die ik inmiddels had opgedaan. Mooi dat we op dat moment echt stappen, nee zelfs sprongen, voorwaarts maakten. De periode erna ben ik als burger werkzaam gebleven, maar dat valt in mijn optiek buiten de vangrails van dit blog, immers het gaat over het zijn van Onderofficier en Pantserinfanterist, in hart en nieren.

8 antwoorden
  1. Michael Smits
    Michael Smits zegt:

    Prachtig weergegeven weer Marijn! En om te illustreren hoe de aanwezigen dachten over jou tijdens je FLO; iedereen wilde een plekje in dat bataljon hebben! 😉

    Beantwoorden
  2. Bernd
    Bernd zegt:

    Marijn, met veel interesse, plezier en verbazing heb ik je belevenissen van je militaire loopbaan gelezen. Super dat je dit hebt willen delen.
    Het ga je goed en blijf gezond!

    Voormalig officier grondoperatiën bij de KLu en in een ver verleden geleide wapens.

    Beantwoorden
  3. Anjo de Groen
    Anjo de Groen zegt:

    Hoi Marijn, ik heb al je artikelen met plezier gelezen, vaak met een o ja gevoel. Het gaat je goed en de groeten aan Jacqueline

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *