Amersfoort

En zo ging ik vanuit Oirschot naar het Opleidings en Trainings Centrum Operatiën (OTCOpn) in Amersfoort. Na de tropenjaren bij BLJ een plaatsing op een compleet andere plek en in een compleet andere setting. Van een ultiem operationele setting naar een voor een groot deel theoretische omgeving. En niet, zoals in eerste instantie de bedoeling was, naar de Infanterieschool. Geheel uit mijn comfortzone. Als OTC Adjudant was ik natuurlijk de Onderofficier naast de commandant, en indirect deed ik ook zaken als opleider van onderofficieren. Dus wel degelijk een logische Stafadjudantenfunctie. Al zou je dat niet zeggen als je naar het bestand keek toen ik binnenkwam. Buiten mezelf hadden we nog 2 onderofficieren, zelfs iets meer burgerwerknemers en rest van het hele OTC was officier. Met een minimum rang van Majoor, maar het gros was zelfs Overste. Ik werkte voor een Kolonel, en werd zelf daardoor Stafadjudant niveau 2. Niet dat ik daar echt iets van merkte, zelfs de financiële vergoeding bleef gelijk.
Door de afstand was dagelijks woon-werkverkeer niet echt mogelijk, dus ging ik binnenslapen. Net als Kolonel Wilfred Rietdijk overigens, waardoor de avonden, naast de gebruikelijke sportmomenten, gevuld werden met ‘voeten op tafel‘ sessies. Zo konden we van alles bedenken dat we dan overdag uitwerkten. Deze Kolonel heeft een behoorlijk positieve invloed op me gehad, met name doordat hij, naast erg inspirerend, ook vooral regisserend was. Hij vertelde wel wat zijn visie was en welke richting hij in wilde, maar liet mij, en alle overige bureauhoofden, vooral zelf bedenken hoe dat dan in de praktijk moest en het vervolgens ook uitvoeren. De eerste periode heb ik vooral geïnvesteerd in wat er binnen het OTC allemaal gedaan werd, en dat was behoorlijk veel. Met name de loopbaanopleidingen voor officieren maar ook de cursussen op het gebied van operationeel optreden. Daarnaast probeerde ik te investeren in de verhouding met de doctrineschrijvers, daar hadden we een hele verdieping in ons gebouw van. Veelal oudere collega’s, die vooral in een bepaald en vaak heel smal vakgebied erg goed thuis waren en niet meer activiteit ontplooiden dan de vingers op het toetsenbord.  Heel eerlijk heb ik daar nooit echt goed contact mee gekregen, en gekscherend noemde ik die afdeling dan ook ‘Militaire Mikado; de eerste die beweegt is af!’.

Op regelmatige basis overlegde ik met de overige OTC adjudanten binnen het Opleidings en Trainings Commando, en kreeg meer en meer zicht op wat er binnen Opleiding en Training allemaal te koop was. Mijn expertise was natuurlijk vooral opgebouwd in de praktijk op de niveaus peloton en compagnie. Het bataljonsniveau beperkte zich vooral tot die momenten dat we als bataljon op de mat mochten, en eerlijk gezegd was dat niet zo heel erg vaak. Het OTC Operatiën hield zich bezig met trainingen van bataljons en hoger. Door het functioneren hier zag ik de verbindingen tussen de verschillende opleidingen en de verbindingen die er zouden moeten zijn, maar waar duidelijk nog aan gewerkt moest worden. Ik bezocht als OTC adjudant met name die trainingen waar ik minder kaas van gegeten had, en kon de deelnemers zonder te veinzen om uitleg vragen, omdat ik het gewoon niet wist.

Binnenslapen had dan wel voordelen, maar liever was ik ook regelmatig thuis. Voor het eerst in mijn loopbaan ging ik op de vrijdag thuiswerken, iets wat ik tot die tijd eigenlijk een belachelijk idee vond. In de praktijk was het met name in een dergelijke functie eigenlijk juist prima, en verminderde het aantal motorritten over de A2 ook nog eens behoorlijk. Thuiswerken vereiste behoorlijk wat discipline van me, maar ik merkte dat ik daardoor absoluut zelfs effectiever was. Niet dat het de contactmomenten zou kunnen vervangen, zeker niet, maar geheel afhankelijk van de functie en mogelijkheden was dit een prima optie.

Tijdens deze periode werd ik gevraagd om trainer te zijn bij de Tertiaire Vorming. Daar hoefde ik niet lang over na te denken, per slot van rekening had ik daar zelf goede herinneringen aan, en door mij werk aan het KennisCentrum KMS had ik daar zeer zeker ook een mening over. In dit geval betrof het een training die we verzorgden op het Instituut Defensie Leergangen in Rijswijk. Een ideale locatie, centraal genoeg voor alle bezoeken aan de verschillende eenheden en ver genoeg van alle bestaande kazernes. Gezien mijn eigen ervaringen met de Tertiaire Vorming wilde ik zeker geen kopie maken. Gelukkig kregen we veel vrijheid en samen met een collega trainer (adjudant van de KMAR) wisten we de kandidaten voldoende te prikkelen. Zodanig zelfs dat ik na afloop een bronzen plaquette kreeg met als opschrift ‘Zonder wrijving geen glans!’. Dat zei voor ons ons meer dan genoeg, omdat we ze soms echt wel tot aan het gaatje konden laten gaan. Overigens heb ik tijdens deze cursus een presentatie gegeven waarin ik ben ingegaan op wat het met je doet als je collega’s verliest tijdens een missie. Dit maakte normaal geen deel uit van de cursus maar we hadden nog wat avonduren over. Die presentatie gaf mij de gelegenheid om gevoel over te brengen, wat gezien de feedback ook behoorlijk goed gelukt was.

Gedurende de plaatsing in Amersfoort ben ik met name in contact gekomen met mensen uit organisatiedelen waar ik soms zelfs nog niet eens van had gehoord. Op deze manier breidde niet alleen mijn netwerk behoorlijk uit, ik kreeg ook meer inzicht in allerlei andere niveaus en organisatiedelen. Sommige collega’s zijn daardoor nog steeds te vinden in mijn inmiddels behoorlijk uitgebreide netwerk. Ik leerde sneller dan voorheen dat ik niet alle kennis zelf in huis hoefde te hebben, als ik maar wist waar ik hem kon vinden en wie ik daarvoor kon benaderen. En naast werk kreeg ik soms aanbiedingen om een avond mee te gaan naar wat andere activiteiten. Zo kreeg ik de gelegenheid om binnen te kijken bij voetbalclub Spakenburg en leerde ik hoe de verhouding met de buren van de IJsselmeervogels lag. En omdat een aantal collega bestuursleden (zowel de Voorzitter als de Penningmeester) van de Veteranen Vereniging Regiment Limburgse Jagers in Amersfoort woonden en werkten kwam ook aan die kant alles goed tot zijn recht.

De feeling voor de infanterie bleef, zeker ook omdat ik inmiddels al een aantal jaar Voorzitter was van het Adjudanten Infanterie Overleg. Dit overlegforum waar alle stafadjudanten infanterie in zitten, kreeg meer en meer invloed, al was dat nooit genoeg naar onze zin. Toch werd er ook buiten het overleg wel gezien dat we goed de vinger aan de pols hielden. Als voorzitter werd ik, zoals eerder al gememoreerd, uitgenodigd om samen met de Wapenoudste, generaal Otto van Wiggen, het laatste schot met het 25mm snelvuurkanon op de YPR in Nederland uit te voeren. Allebei als schutter in een eigen voertuig lieten we zien dat we het nog zeker niet verleerd waren. Inmiddels waren alle YPR765 infanteriegevechtsvoertuigen vervangen door CV90’s. Wat we niet hadden kunnen bevroeden op dat moment was dat slechts een paar jaar later er voor nog een andere optie gekozen werd en elke Brigade een heel eigen uitstraling ging krijgen.

Vrij snel nadat ik in Amersfoort te werk gesteld was werd er de Staf van het Commando Landstrijdkrachten besloten om het hele opleidings en trainings veld te herzien. Alles bij elkaar werd het te groot voor de platte organisatie die het OTC Operatiën was en om zoveel mogelijk aan te sluiten aan de, inmiddels gepubliceerde, blauwdruk Opleiden & Trainen, werd besloten om het te splitsen in een uitvoerend en een conceptueel organisatie element; het Land Training Center (LTC) en het Land Warfare Center (LWC). Daardoor werd ons OTC plotseling in een veel breder verband gezien. Zo kwam er een hele afdeling teamoptreden bij, inclusief alle OTE’ers. Hiermee werd in 1 klap het aantal onderofficieren verdertigvoudigd. Ook werd de afdeling Opleiden, Trainen en Kennis van Staf OTCo toegevoegd. In deze overgangsfase werd ik verantwoordelijk voor de infrastructuur. Dat was een mooie klus, op een conservatieve kazerne als de Bernhardkazerne was. Toen ik gekscherend eens liet vallen dat ik voor ging stellen om delen van het Cavaleriemuseum, die qua vloeroppervlak ongeveer 10 keer te veel had conform het museaal beleid, over te nemen, gingen bepaalde mensen sky high. Een dergelijk opdracht, op de bekende Wilfred Rietdijk wijze uitgezet, was kolfje naar mijn hand. ’s-Avonds liet ik hem weten wat mijn richting was en controleerde ik of ik binnen zijn vangrails bleef, en overdag werkte ik de oplossingen uit tot concrete plannen, inclusief allerlei kleine verbouwingen. In dit project zat ook de initiële onderbrenging van Staf OTCo op de Bernhardkazerne. Die staf was inmiddels zo klein dat die makkelijk in 1 gebouw paste, samen met de Geestelijke Verzorging. Dat er dan een Stilteruimte op de gang was, beviel Generaal Otto van Wiggen allerminst, maar tot op de dag van vandaag is dat wel het geval.

Samen met de verhuizingen van onze afdeling Doctrine naar het LWC en de samenvoeging van de trainingsteams van team en bataljons, werd ook een ander project qua infrastructuur geïntegreerd. De werkzaamheden bij het op te richten Command & Staff Trainer vereisten extra infrastructuur voor de te trainen eenheden, tot en met een complete Brigadestaf aan toe. Dat had niet alleen gevolgen voor onze organisatie, maar zelfs het OTC Manoeuvre en de Lichamelijke Opvoeding/Sport (LO/S) organisatie werden daardoor gedwongen iets kleiner te behuizen.
In de overgang kreeg ik te maken met ontevreden onderofficieren, vooral van het wapen der Cavalerie. Zij meenden dat er binnen de nieuwe organisatie vooral voor infanteristen werd gezorgd en dat zij daardoor veel minder makkelijk aan een functie konden komen. Nu was het natuurlijk zonder tanks daadwerkelijk ook minder, maar dat daardoor anderen voorkeur kregen was ook niet zo. Bijvoorbeeld een aantal functies binnen TACTIS waarvoor schietinstructeur 35mm CV90 gevraagd werd. Ook de adjudanten infanterie beschikken over het algemeen niet over deze achtergrond. Maar goed, ik heb mijn best gedaan om ze te overtuigen en te helpen vooral verder te kijken dan het gebouw waar ze al meer dan 10 jaar rond hadden gelopen.

De overgang naar LTC en LWC bood een aantal grote kansen, onder andere voor het vergroten van de mogelijkheden voor Stafadjudanten. Ik deed een voorstel aan de Landmacht adjudant en de OTCo adjudant om het aantal Stafadjudanten fors uit te breiden. Hierbij vooral aandacht voor de Onderofficier als opleider van Onderofficieren. Het voorstel werd voor het grootste deel akkoord bevonden en daarmee steeg niet alleen het aantal onderofficieren enorm maar ook het aantal Stafadjudanten. Hiermee kreeg met name het LTC weer een wat normalere verhouding en dat werd met name tijdens de trainingsondersteuningen ook zo ondervonden.

De gehele operatie van ombouw van OTC Operatiën naar LTC en LWC duurde van plan tot uitvoering, exclusief de wat grotere verbouwingen, maar net een jaar. Daardoor maakte ik de meeste werkzaamheden en verhuizingen helemaal mee, waarbij je meestal van een dergelijke verandering alleen het eerste of juist het laatste deel meemaakt.

Uiteindelijk bleef ik voor de eerst keer in mijn loopbaan minder lang dan 3 jaar op deze functie. Al na anderhalf jaar werd ik door de Landmachtadjudant naar een nieuwe uitdaging gestuurd. Gedurende de eerste week in Amersfoort was dat de meest aan mij gestelde gevraagde vraag; blijf jij ook maar één jaar? Ik wist niet beter of voor mij was een plaatsing altijd minimaal drie jaar, maar voor bijvoorbeeld de secretaresse was dit al een feit toen ik binnen kwam. Ik had niet kunnen bevroeden dat ze zo erg gelijk had! Wat een slechte uitstraling had dat op met name het stafadjudantschap, ook al konden we daar persoonlijk niets aan doen. Voor de werknemers aldaar kwam het al een aantal keer achter elkaar voor dat een stafadjudant kwam, maar vooral ook weer snel ging.

Ondanks alles was het wel een korte, intensieve en leerrijke periode. Net als op mijn vorige functie waren mijn speerpunten hetzelfde gebleven: Verantwoordelijkheid nemen, Saamhorigheid en Loopbaan. Ook in deze functie kon ik daarmee goed uit de voeten, al moet ik eerlijk toegeven dat met name het eerste speerpunt voor veel collegae lastig bleek. Daar in zag ik toch een compleet andere setting en beleving dan in een compleet operationele omgeving. Voor mij persoonlijk heb ik veel voordeel gehad van het netwerk dat ik in die periode heb opgebouwd. Ik ontdekte verder dat ik door met een iets meer open blik vaak meer inzicht kreeg en mede daardoor ook meer voor elkaar kreeg. De competentie overtuigen was niet mijn beste, maar is in deze periode absoluut verbeterd.

Thuis was deze periode zeker niet de slechtste, ondanks het feit dat ik ‘binnenslaper’ was. Vooral de regelmaat, maar ook het voor mij helemaal nieuwe thuiswerken op vrijdag had in ons geval een positieve uitwerking. Na de periode Uruzgan werd woonwerkverkeer een feestje, met de BMW R1200RT. Veel tijd voor de thuissituatie, waar in deze periode het aantal honden verdubbelde; naast Border Collie Finn ook Ice, ook een Border Collie, alleen nu een blue merle met twee verschillende kleuren ogen. De vakanties altijd met de honden, lekker kamperen, en zelfs mee op wintersport net voordat ik aan een nieuwe uitdaging begin.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *