Brothers in arms – deel 2

Terug in Uruzgan ben ik eerst maar eens even een paar dagen in Tarin Kowt gebleven, al was dat niet alleen maar omdat het daar zo prettig was. We hadden wat personele problemen, met name binnen het Verkenningspeloton. En omdat de BataljonsCommandant (BC) er soms een wat ondoorzichtig repatriëringsbeleid op na hield viel er best wel wat te repareren. De verstandhouding met de BC was niet altijd optimaal, met name omdat zowel de Plaatsvervangend BC als ikzelf de indruk hadden dat hij soms erg impulsief was, en daardoor vergat om advies te vragen. Daar had hij zijn driehoek voor, en natuurlijk zijn bataljonsstaf. Door onze onderlinge verstandhouding werd ook mijn verhouding met de bataljonsstaf er niet beter op. Zij kregen de indruk dat ik de BC niet kon behoeden om soms vreemde besluiten te nemen. En daar hadden ze best gelijk in, maar ik hield ze dan wel voor dat het zijn besluiten waren! Men vond overigens ook dat ze mij erg weinig bij de bataljonsstaf zagen, bijvoorbeeld buiten de uren dat we aan het werk waren. Ik heb daar met ze over gesproken, en duidelijk proberen te maken dat mijn prioriteit toch echt bij de mannen en vrouwen buiten lag. En dat er geen uren ‘buiten het werk’ bestonden in mijn optiek. Ondanks dat heb ik geprobeerd om me meer te laten zien, al was het maar door het regelen van een paar treetjes alcoholvrij bier voor ’s avonds bij het kampvuur.
Ik had niet al te veel met de avonden, al was het wel praktisch om op die momenten brieven te schrijven. Ik schreef deze uitzending veel en veel meer dan de vorige uitzendingen. Bellen was ook af en toe mogelijk, en daar maakt ik dan ook wel gebruik van. Meestal belde ik in de late avonduren, met het tijdsverschil was het dan in Nederland net na de warme maaltijd. De verbinding was buiten altijd het beste, dus je zag rond die tijd wel meer mensen met een gsm aan het oor op een bankje of leunend tegen een container.
De activiteiten op Kamp Holland waren overigens behoorlijk divers. Zo kwam ik met enige regelmaat bij de mensen van de Panzerhouwitser, maar ook bij Role 2 en het Helikopterdetachement. Bij de Luchtmacht werd ik op enig moment ook uitgenodigd om eens als doel voor de bewakingshonden te dienen, wat ik als hondenliefhebber natuurlijk graag aangenomen heb. Daar had ik wel een paar blauwe plekken voor over, wat een geweld!

Ook bij TaskForce 55, met de commando’s van het KCT, kwam ik met enige regelmaat, vaak voor overleg omdat we op sommige momenten de buitenring voor hen mochten leveren. Dit soort samenwerking was natuurlijk voor onze mensen wel heel wat anders, en werd dan door beide partijen bijzonder gewaardeerd. Ik was een aantal keer aanwezig bij de terugkeer van een opdracht van de mannen van TaskForce 55, en dan zag ik dat zoiets echt niet in je kouwe kleren gaat zitten, zowel fysiek als mentaal.
De TFU staf was niet mijn favoriete bezoekplek, vaak had ik daar weinig te zoeken, behalve het maandelijkse TFU adjudant overleg. Ik kreeg nooit een echt warm gevoel, vooral als het ging over zaken die ik probeerde voor onze mensen voor elkaar te krijgen. Vaak ging dat over simpele zaken, waarvoor slechts een heel kleine aanpassing tot groot plezier voor velen zou leiden, maar helaas. Met name de TFU leiding was erg stug en weinig flexibel. Daardoor kreeg ik het ook niet voor elkaar om de verzoeken, bijvoorbeeld vanuit onze eigen bataljonsstaf, gehonoreerd te krijgen, wat dan weer een minder goed effect had op mijn optreden ten opzichte van hen. Wat een verademing was het dan ook om te zien dat op Camp Hadrian, COP Tabar en FOB Mirwais zoiets allemaal overgelaten was aan de operationele commandanten, waardoor er veel meer flexibiliteit was en dat had dan weer een positieve uitstraling op de inzet van de patrouilles.
Waar ik slecht mee overweg kon was het feit dat ik bij de Sectie G2 van de TFU staf (inlichtingen) niet eens binnen mocht als Battle Group Adjudant. En dat terwijl er meer dan 40 man werkten en we tijdens patrouilles en operaties eigenlijk nooit actuele inlichtingen (actual info) hadden. Dat was voor mij een slecht voorbeeld van een rubberen tussenlaag, en weinig tot geen gevoel van de staf bij wat men op de echte werkvloer nodig had.
Met de Australiërs op Tarin Kowt had ik een relatief goede band, iets wat bijvoorbeeld handig was ten tijde van het sneuvelen van onze mariniers. In eerste instantie kreeg ik van BaseCo een vrachtauto (4Tonner) toegewezen om de kisten met stoffelijk overschot te transporteren tijdens de herdenking en rampceremonie. Ik kon daar niet mee overweg, voor mijn gevoel vervoer je geen slachtoffers op een vrachtauto! Via de Australiërs kon ik gelukkig twee sixwheel LandRovers regelen. De tweede moest overigens de nacht voorafgaand aan de inzet nog in elkaar gelast en gespoten worden!

De tweede helft van de uitzending kon in twee worden gedeeld; het derde kwart stond met name in het teken van operaties en het vierde kwart in de overdracht aan de opvolgers. Dat derde kwart was dan ook voor velen een behoorlijk drukke periode. Ik was tijdens die periode zowel in Chora als in Deh Rawod, waar ik eindelijk ook eens wat dagen door kon brengen op PatrolBase (PB) Coyote. Naast het voordeel dat ik daar met de eenheid van Luc Janzen door kon doorbrengen kon ik ook zien hoe het dagelijkse leven er daar echt uit zag. Zo mocht ik helpen met aardappels schillen, met de Buck M9 ging dat prima. Een geïmproviseerd zwembad met water uit de Helmand was voor de mannen en vrouwen natuurlijk een heerlijkheid, ook al was het water net zo bruin als het zand eromheen. Van PC Kevin van Loon mocht ik mee naar Observation Post (OP) Eleonor, tenminste als ik wel een bepaalde nacht naar boven ging, en niet een nacht later. Dat in verband met de genoemde operaties, wat de PC een te groot risico vond. Hij kon niet vermoeden dat we die nacht in een TIC raakten, die in de allereerste aflevering van dit blog (Junior Leadership) beschreven staat. De onderlinge band van de mensen binnen een peloton en de enablers is bijna niet te beschrijven. Zelf voor mij als relatieve buitenstaander was dat voelbaar. En na dit bezoek was ik zelfs een van hen. Ik merk dat zelfs nog dagelijks, als ik midden in een stad wordt aangesproken door personeel van toen. Overigens was mijn bezoek, of eigenlijk mijn vertrek er een met een verhaal. Ik wist dat de TFU Adjudant met verlof zou gaan en had hem beloofd om, als waarnemend TFU adjudant, te zorgen dat ik zo veel als mogelijk op Kamp Holland zou zijn tijdens zijn afwezigheid. Ik zat echter al wat te lang vast, in dit geval op PB Coyote. Plots deed zich een mogelijkheid voor, omdat er een Medivac (Medical Evacuation) vlucht werd ingezet om iemand van PB Coyote naar de tandarts in Tarin Kowt te brengen. Nu is het niet gebruikelijk om mee te vliegen als passagier met een Medivac, maar ik vond het de vraag waard. Ik stond dus met m’n hele barang gereed op de helistrip en heb de dienstdoend UK Flight Nurse gevraagd of er een probleem was om de BattleGroup Adjudant mee te nemen. Natuurlijk niet, was zijn antwoord, met dien verstande dat ik bij een echte calamiteit er uitgegooid zou worden en voor de tandartspatiënt moest zorgen. Op Kamp Holland werd dit, met name door mensen met een luchtmobiele achtergrond, als een regelrechte belediging ervaren, en slecht voorbeeldgedrag. Men ging er te gemakkelijk van uit dat ik de regels niet wist en verzuimden ook aan me te vragen wat de reden was. Ook was men niet op de hoogte van het feit dat ik gewoon netjes toestemming had gevraagd, en gekregen. Goed voorbeeld van niet flexibel denken. Het ging om een helikopter, dus kon een pantserinfanterist daar nooit goed mee om zijn gegaan….

Tijdens de uitzending gingen we door met de doorstroom van soldaten en korporaals naar de KMS. Zelfs de conditieproef hebben we voor sommigen ter plaatse gerealiseerd, vanwege de hitte om 05:30 uur in de ochtend. En gesprekken met de CSM en BA, waarna bij een positief advies de papieren richting Nederland gingen. Op deze wijze liep er niemand achterstand op door de uitzending. Bijkomend voordeel was dat we ze daadwerkelijk aan het werk zagen, onder verzwaarde omstandigheden.
Wat ook zeker een issue was tijdens deze uitzending was het uitreiken van het Gevechtsinsigne. Tot aan onze uitzending werd die altijd achteraf uitgereikt, vaak pas meer dan een jaar na terugkeer in Nederland. Daarnaast was er niet al te veel duidelijkheid over hoe de criteria moest gehanteerd moesten worden. Althans, zo leek het vaak voor ons. Ik heb geen aanwijzingen dat mensen bij ons er probeerde op uit te gaan om de zogenaamde TIC (Troops In Contact) ‘sticker’ te scoren. Wel was er ontevredenheid dat het voor sommige categorieën eenvoudiger leek (!) om in aanmerking te komen voor dit insigne. Natuurlijk leek het er op alsof bijvoorbeeld elke helikopterbemanning bij zijn eerste vlucht wel in aanmerking kwam, waardoor voor sommigen de waarde van het Gevechtsinsigne wat daalde. Maar op de gehele populatie van de Landmacht bekeken was dat natuurlijk nog maar een heel klein deel. Zo komt het dat er op dit moment niet zo heel veel militairen meer rondlopen met het Gevechtsinsigne op het uniform. Tijdens onze uitzending werden de aanvragen rechtstreeks door het ContingentsCommando (Contco) beoordeeld en indien goedgekeurd ook daadwerkelijk direct uitgereikt. Chapeau voor met name de ContCo Adjudant, die bij vragen direct op de klep kwam waardoor de uitreiking vaak al heel snel ging. Ik probeerde met name de aanvragen goed te laten opmaken, waarbij eigenlijk al direct duidelijk was of ze wel of niet voldeden aan de criteria. Toen ik een aanvraag voor mijzelf als voorbeeld gebruikte voor personeel dat in dezelfde TIC had gezeten, kreeg ik, bijna als vanzelfsprekend, mijn eigen bataljonsstaf weer eens over me heen. Ik weet het niet zeker, maar mogelijk had dat te maken met het feit dat zij niet in de gelegenheid waren om net zo vaak als ik buiten te zijn.
Het laatste kwart stond in het teken van de overdracht aan een Amerikaanse eenheid. De Nederlandse regering had tijdens onze tour besloten dat we de laatste TFE (Task Force Eenheden) zouden zijn. 1-2 Stryker Cavalry Regiment ‘Toujours Prêt’ was voorbestemd om ons af te lossen. Vanaf het eerste contact bleek eigenlijk wel dat wat er vandaag werd afgesproken, morgen er heel anders uit kon zien. Zo werd het operatiegebied voor onze opvolgers tenminste 3 keer gewijzigd, en het was al veel groter als we zelf hadden. Naast de delen waar wij voor verantwoordelijk waren werd ook de gehele route Bear tot aan Kandahar voor hen. Ook de aantallen te legeren personeel wijzigde als een dagkoers. Duidelijk was in ieder geval dat we voor de transitie moesten zorgen voor tenminste een behoorlijk aantal gepantserde slaapcontainers. Dat maakte dat ik voor de laatste weken een ‘ophokplan’ maakte, wat natuurlijk voor niemand leuk was. Zelf gaven we dus maar het goede voorbeeld door met BC, PBC en BA in 1 container te gaan wonen. Eigenlijk niet te doen, maar goed, we waren bijna nooit compleet en hadden gelukkig ook nog onze bureauruimtes. Ook daar hadden we voor onze opvolgers al wat extra ruimte gecreëerd. Het eerste wat we daadwerkelijk merkten van de intocht van onze opvolgers waren de grote hoeveelheid spiksplinternieuwe Dell computers, in doos, die door DHL werden afgeleverd bij de Bataljonsstaf. Vervolgens ging men aan de gang met het aanleggen van een eigen netwerk. Dat resulteerde overigens wel in een dag of 3 zonder verbinding voor ons, omdat de graafmachine van de Yanken even niet had gevraagd waar onze bekabeling lag.
Om de terugstroom van goederen zo goed mogelijk te stroomlijnen kwam er een team specialisten extra, dus in plaats van minder werden het steeds meer Nederlanders. Zeker toen ook de materialen, zoals alle rups- en wielvoertuigen van de buitenposten ook nog eens, met bemanning onze kant op kwam. Uiteindelijk gingen de eersten dan uitroteren en kregen we eindelijk weer wat ruimte. Tijd om af te breken en na een aantal zeer intensieve maanden ook zelf weer naar Nederland te gaan.

Achteraf bekeken was het niet alleen zeer intensief maar ook wel openbarend. Zowel op het persoonlijk vlak als binnen de organieke en niet organieke eenheden waren goede banden opgebouwd, maar zijn er ook haarscheurtjes ontstaan. De verstandhouding met de BC was niet altijd even perfect, en voor velen werd zijn vertrek na de uitzending dan ook als een geruststelling gezien. Bij terugkeer in Nederland, na het verplichte adapteren en de terugkeerperiode, werd al snel duidelijk dat de nieuwe BC geen onbekende was; Marc Jacops. Dat ik daarmee kon lezen en schrijven mag duidelijk zijn, al waren we het echt lange na niet altijd direct met elkaar eens. Hoeft ook zeker niet, het was zeker voor mij weer een periode waar ik moest wennen aan wat meer duidelijkheid en minder vrijheid. Dat kwam natuurlijk niet alleen door de wisseling van de wacht, maar zeker ook door de omstandigheden in Nederland.
Gelukkig hadden we voor de mannen en vrouwen van het bataljon alweer nieuwe uitdagingen ontvangen. Zo werd voor een aantal rotaties de Compagnie in de West (CidW) gevuld door ons personeel. Het betekende wederom opwerken, en daadwerkelijk weer een aantal maanden van huis. Ik zou er persoonlijk niet al te happig op zijn geweest, maar die indruk kreeg ik niet van onze mannen en vrouwen. Ik ben in de gelukkig omstandigheid geweest om een tweetal keer op werkbezoek naar de CidW te gaan. Opvallend is dat met name Curaçao eigenlijk gewoon een smerig eiland is, met alleen bij de grote ressorts opvallend mooie omgeving. De rit van het vliegveld naar de kazerne heeft meer weg van rijden door een vuilnisbelt en achterbuurten dan wat je op de advertenties van de vakantieaanbieders altijd ziet. De inzet van de CidW leek eigenlijk een beetje op wat ik nog gewend was van Novi Travnik; veel oefeningen, waaronder BlueLight achtige oefeningen, trainingen met veel aandacht voor mogelijke inzet bij een rampenscenario en tussendoor aandacht voor persoonlijke fitheid. En natuurlijk betreft het een eiland, dus veel aandacht voor water omstandigheden. Ook werd er af en toe een overstapje gemaakt met de Pelikaan naar een van de andere eilanden. Bijvoorbeeld naar Bonaire, waar ik een compagnies oefening mee mocht maken en mee schilderde aan de Rode Kruis post. Naast deze ervaring mocht ik ook nog even de wat minder warme kant ervaren bij onze Alfa compagnie in Noorwegen.

Een van de zaken die zeer zeker niet uit het oog verloren mocht worden was de manier waarop we de herinnering aan onze gesneuvelde collega’s boven water konden houden. Want eerlijk is eerlijk, veel Limburgse Jagers verlieten het bataljon na 1 of 2 contracten, en ook de beroeps wisselden met regelmaat van eenheid. Om de herinnering zo dicht mogelijk bij te brengen bedacht ik dat er een ornament op de muur van het bataljonsstafgebouw moest komen. Precies tegenover de ingang van de A, B en C compagnie, en net naast de Bataljons appelplaats. Op die manier liep vrijwel iedereen een aantal keer per dag langs de plaats waar ze herdacht werden aan hen die het hoogste offer brachten. Gezamenlijk kwamen we uit bij het gebruik van de motorkap van de MB waarin Luc Janzen zijn laatste opdracht uitvoerde. Na toestemming van de nabestaanden werd via Staf CLAS gezorgd dat deze motorkap beschikbaar werd gesteld en werden er voor elke gesneuvelde koperen plaatjes gegraveerd. Samen met het opgespoten BLJ embleem bleek het een echt herdenkingsornament. Persoonlijk krijg ik elke keer als ik er langs loop toch een apart gevoel. Zo worden ze zeker niet vergeten! Zo had ik naast een monument in Frankrijk ook in Nederland een vaste plek om te herdenken!

Helaas werden we na de uitzending nog een aantal keer met de neus op de feiten gedrukt, bijvoorbeeld met het ontvallen van Roy en John, beide als gevolg van een motorongeval. Daarbij kwam, helaas, mijn expertise ‘uitvaart met militaire eer’ weer zeer van pas. Op de valreep van mijn functioneren als Bataljons en Regiments adjudant was er nog zaak die op viel. Al enige tijd waren we overtuigd van het feit dat we met name voor de jonge veteranen meer moesten en konden betekenen. Vanuit de reguliere functies lukte dat eigenlijk alleen als er tijd over was, en bleef het te ver achter. Maar er was een andere optie, en die hebben we dan ook met een aantal mensen opgepakt. We hebben eind 2011 de Veteranen Vereniging Regiment Limburgse Jagers (VVRLJ) opgericht om erkenning, waardering en zorg te realiseren voor de veteranen die uitgezonden zijn geweest onder de vlag van het Regiment Limburgse Jagers. De VVRLJ is tot op de dag van vandaag randvoorwaardelijk voor reünieactiviteiten en biedt nulde-lijns zorg aan.

Helaas kwam er aan de functie van Bataljonsadjudant een einde, waarbij het voor mij echt nog veel langer had mogen duren. Maar binnen bureau Management Development werd duidelijk gemaakt dat ik ruimte moest maken en mezelf daarbij ook verder moest ontwikkelen. Dat ontwikkelen zag men vooral door een functie buiten de Brigade in een voor mij totaal andere omgeving. Eerlijk gezegd hadden ze daar ook wel een beetje gelijk in, ook al had ik het natuurlijk liever anders gezien. Tijdens de stokoverdracht aan Han Reids werd ik verrast door de BrigadeCommandant, Generaal Michiel van der Laan. Hij overhandigde me de Brigade Legpenning voor mijn werk van de laatste jaren. Blijkbaar was het opgevallen dat ik behoorlijk veel en hard gewerkt had binnen de verschillende Brigade-eenheden. Opgeteld bijna 15 jaar op de niveaus 3, 4 en 5. Het voelde dan ook echt aan als een oeuvre prijs. En zo was het ook bedoeld, vertelde de generaal in zijn toespraak.

En zo sloot ik een periode af waarin ik niet alleen veel meegemaakt had, maar waarin ik ook veel geleerd had. Zo leerde ik dat het met het Junior Leadership nog veel beter gesteld was als ik had kunnen vermoeden. Onze relatief jonge kaderleden waren (en zijn) goed opgewassen tegen het veelvoud aan opdrachten waarvoor ze zijn opgeleid en getraind. Ik leerde dat ik voor korte tijd emoties daadwerkelijk kon onderdrukken, maar dat ze daarna zeker net zo hard terug komen. Ik hoor steeds meer mensen zeggen dat ze na een periode in Uruzgan emotioneler zijn dan voorheen. Ik herken dat zeker ook. Ik leerde ook dat groepsband, zeg maar Brothers in Arms, daadwerkelijk bestaat, zeker als je met een aantal mensen de meest vreselijke dingen hebt meegemaakt. Tot op de dag van vandaag ben ik aanwezig geweest bij de jaarlijkse herdenkingen in Uden en Echt, en zag daar, ondanks de minder leuke aanleiding, toch altijd de verbondenheid die er tussen ons bestaat. Ik merk ook dat voor iedereen geldt dat men zoveel mogelijk hun best doet om aanwezig te zijn. Niet omdat er iemand opdracht geeft, of zelf iets van zegt als je een jaar niet zou kunnen, maar omdat je dat wilt, van binnenuit.

Aan het begin van mijn functie als BA heb ik met de kaderleden mijn speerpunten doorgenomen: Verantwoordelijkheid nemen, Saamhorigheid, Loopbaan. Ik had niet kunnen bevroeden dat al die speerpunten ook daadwerkelijk zo veel impact hadden gedurende die drie jaren. Niet alleen voor mij persoonlijk, maar ook voor anderen, zo kreeg ik vaak te horen.

2 antwoorden
  1. rob Ancona
    rob Ancona zegt:

    Marijn een schitterend mooi, recht uit het hart geschreven verhaal..
    Ik heb jou tijdens onze KMS periode WTV Harderwijk leren kennen als een oprecht en eerlijk persoon.
    Marijn ik weet niet waar je nu werkt, maar ik hoop dat we in de toekomst bij de een of andere happening elkaar weer de hand mogen drukken.

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *