Kennis is macht

Na mijn opleiding was ik eigenlijk niet meer terug geweest op de van Hornekazerne in Weert. Blijkbaar voelde het op dat moment voor mij nog niet als de Bakermat van de Onderofficier. Waarschijnlijk omdat ik de laatste cursus Hogere Onder Officiers Vorming (HOOV) in Breda had gehad en geen loopbaanopleidingen gevolgd had in Weert. Inmiddels was elke algemene loopbaanopleiding wel in Weert terecht gekomen. De E cursus had ik gevolgd in Harderwijk, en was inmiddels voor wat het algemeen deel betreft omgedoopt tot Primaire Vorming (PV) als voorbereiding op werken op pelotonsniveau. Wel een verschil, want wij waren met name tijdens de WTV al compleet op dat niveau gevormd. De HOOV was omgetoverd tot de Secundaire Vorming (SV) en was voorwaardelijk om door te gaan naar de bovenbouw. Een prima systeem, waarbij de Doorlopende Leerlijn Onderofficieren een toonbeeld van Samenhang der Dingen was. Goed doordacht, en met veel gevoel voor traditie werd de KMS een echte bakermat. Niet alleen de Doorlopende Leerlijn Onderofficieren gaf een goed gevoel, met name ook datgene dat ik, onbewust bekwaam, altijd al vond; de rol en positie van de Onderofficier. Dus Vakman, Leider en Instructeur, in alle niveaus, met toepassen, begeleiden en bewaken in toenemende mate tijdens het doorlopen van de onder- en bovenbouw. Als Stafonderofficier Kennis Centrum (KC) KMS werd ik van parate ‘joekel’ plotseling een echte ‘bureautijger’. Dat was voor mij de eerste keer, dus dat was behoorlijk wennen. En behalve de wat vreemde functie voor mij was er nog veel meer om aan te wennen, want zaken die voor mij als een paal boven water stonden waren in de loop der jaren wel wat verandert. Zo parkeerden er gewoon auto’s op de centrale appelplaats!? Terwijl ik daar zelfs als adjudant nog niet eens gewoon overheen durfde te lopen, dat deed je immers alleen maar als je exercitie stond te geven!

In 2003 kreeg ik als medewerker van het KC gelukkig veel vrijheid in de uitvoering van de opdrachten. Hoofd KC was iemand die het gevoel met de werkvloer nog goed in de vingers had. En naast Hoofd KC was er nog de KMS adjudant, Toon de Bresser, die ik nog heel goed kende als Bataljons Adjudant van 17GFPI. Omdat hij ook wist welk vlees hij in de kuip had met mij, werd ik vanaf het begin van allerlei extra opdrachten voorzien. Ik werd stiekem een heel klein beetje zijn persoonlijke assistent en werd in die hoedanigheid dan ook regelmatig meegetroond naar bijeenkomsten waar ik vervolgens presentaties over de Doorlopende Leerlijn Onderofficieren en de Samenhang der Dingen diende te verzorgen. Net zo makkelijk werd ik ook ingezet om workshops te verzorgen voor Niveau 2 Stafadjudanten. En omdat Toon het zei, werd dat geaccepteerd. Door deze werkwijze werd er behoorlijk wat gevraagd van mijn vermogen om snel te schakelen, te oordelen, analyseren, organisatiegerichtheid en van mijn leervermogen. Gelukkig was ik stressbestendig genoeg en met durf en creativiteit kon ik me behoorlijk goed door ontwikkelen. En zo leerde ik al heel snel dat Kennis Centrum-werk betekende dat je van alle tien dingen die je maakt er weer acht de prullenbak in verdwenen. Maar, alleen het papier verdween in de prullenbak, de kennis bleef in ieder geval in mijn hoofd aanwezig, en in een groot aantal gevallen ook op de harde schijf. Mogelijk dat met name deze plaatsing mijn persoonlijke ontwikkeling een behoorlijk grote boost gegeven heeft, en dat terwijl ik deze plaatsing en dus deze gelegenheid eigenlijk over had willen slaan. Soms moest ik wel uitkijken, want vanuit mijn bureau op de bovenverdieping van het Stafgebouw liep ik elke keer als ik het gebouw uit liep langs het bureau van Toon. En bijna elke keer werd ik binnengeroepen en kreeg ik extra aanwijzingen of compleet nieuwe, extra, opdrachten. Tot ik leerde dat ik ook aan de andere kant, langs het bureau van de secretaresse van Commandant KMS, het gebouw uit kon.

De opdrachten die ik kreeg, of in een groot aantal gevallen zelf bedacht, waren vaak erg goed aan mij besteed en lagen in het verlengde van mijn eerdere ervaringen en expertises. In een aantal gevallen betrof het heel rigoureuze stappen met erg veel impact. Zoals die keer dat ik opdracht kreeg om de gehele gevechtsopleiding te herschrijven. Toon, en met hem velen anderen, ergerde zich aan een opleiding die gebaseerd was op een ‘werklocatie’ met een vrachtauto (viertonner). Zo kreeg ik, zonder ervaring en expertise op het gebied van opleidingsontwikkeling, toch deze opdracht. In minder tijd dan een organieke opleidingsontwikkelaar slechts zijn grofontwerp maakt, had ik de complete syllabus gereed, inclusief de aanpassingen in de programma’s van de opleidingscompagnieën. Maar het belangrijkst was waarschijnlijk het feit dat de daadwerkelijke opleiders (instructeurs en SMO’s) er een heel goed gevoel bij hadden. Terwijl het toch echt verandering betekende, en een dergelijke verandering meestal gepaard gaat met weerstand. Natuurlijk werd ik geholpen door het minder goede gevoel dat ze hadden bij de oude methode, maar toch.

In deze periode was ik ook betrokken bij de werkgroep Ceremonieel en Protocol van de Defensiestaf. Daar leerde ik met name dat je zulke zaken zodanig moet opstellen dat er ruimte is voor de uitvoerders. Ondanks dat de Defensie Publicatie 20-10 in eerste instantie een voorschrift is waar speling in lijkt te zitten, is het van het grootste belang om juist de intentie van de tekst te begrijpen en te gebruiken zoals ter plekke mogelijk is. Dat kwam me vooral later erg goed van pas.

Om de opleiding goed parallel te laten lopen aan wat er daadwerkelijk nodig was op de werkvloer ben ik in een aantal stappen de algemene initiële opleiding voor Onderofficieren gaan bestuderen. Eerst door de huidige opleidingen goed te beschrijven, vervolgens door te kijken naar de aansluiting met de verschillende Vak Technische Opleidingen (VTO). Gelukkig was ik secretaris van het VTO overleg, waarin we tweemaandelijks deze aansluiting bediscussieerden. Om wat meer ‘out of the box’ te gaan, ben ik ook de internationale Onderofficiers opleidingen gaan bestuderen. Hiervoor heb ik een aantal dienstreizen mogen maken, onder andere naar België, Duitsland, Frankrijk en uiteindelijk ook naar de United States. Daarnaast veel informatie ontvangen van diverse andere landen waaronder het Verenigd Koninkrijk en Australië. En ik kon eigenlijk maar tot één conclusie komen: we hadden het al heel erg goed voor elkaar! Toch was ik nog niet tevreden en ben ik interviews gaan houden met heel veel verschillende onderofficieren, in drie categorieën; onderofficieren die tenminste 1 jaar op startfunctie zaten, onderofficieren die de direct leidinggevenden en begeleiders zijn van de voorgaande categorie en de laatste categorie waren onderofficieren verantwoordelijk voor de kwaliteit van onderofficieren binnen hun eenheid. Voor het verzamelen van deze informatie reisde ik heel Nederland door, en deed ook Seedorf aan, om daar informatie te verkrijgen. Om nog meer informatie te krijgen, recht vanuit de echte praktijk, kreeg ik het idee om daar te gaan vragen waar de informatie het best uit de verf kwam. Ik vroeg, en kreeg, toestemming om naar Irak te gaan. Voor mij was het een goed voorbeeld van mijn competenties durf, creatief en initiatief. Zelf de touwtjes in handen hebben, precies de manier die ik het liefst had. Ik verzamelde een paar super collega’s om me heen en begon voor te bereiden voor de trip, zeg maar een mini MGO. Toen ik in dat kader samen met, de veel te vroeg overleden, Geert Fredrix op de schietbaan in Budel trainde om staand twee reactie schoten af te geven en vervolgens liggend de doelen verder uit te schakelen, stonden niet alleen de leerlingen de ogen uit te kijken. Ook sommige minder ervaren instructeurs hadden deze schietoefeningen nog nooit gezien. Niet gek ook, het was onze ervaring die ons deze self-inflicted trainingen oplegde.

Via Kuwait City gingen we richting Irak en werden voor de grens opgewacht door de eenheid die konvooibegeleiding aan het uitvoeren was. Zo reed ik de hele route via Tallil en Shaibah op een open MB mee, waardoor ik direct goed zicht had op de omgeving maar vooral op de werkzaamheden van de jonge sergeant groepscommandant waar ik bij in het voertuig zat. Mijn opdracht liep al weer, en gewoon zonder interview lijsten. Ondanks de weerstand die erbij de eenheid op uitzending in eerste instantie wel degelijk was, gingen we aan het werk. Gaandeweg werden we meer geaccepteerd, en merkte men dat we er echt iets mee wilden doen. Op As Samawah kregen we de gelegenheid om naast de infanteristen ook gesprekken te voeren met genisten en geneeskundig personeel. De omstandigheden daar waren niet eenvoudig, zo moest Peer Donkers als Bataljons Adjudant besluiten tijdens ons verblijf de verlichting op de base uit te doen in verband met het feit dat we een te gemakkelijk doelwit waren voor de aanvallen met indirect vuur, die bijna dagelijks plaats vonden. In het pikkedonker op een onbekende base, dus ik stootte mijn scheenbeen aan een aanhanger die geparkeerd stond. Behalve de base van het bataljon wilden we ook naar de andere bases. De veiligheidssituatie was niet om over naar huis te schrijven, er was net een week eerder een tweede Nederlands slachtoffer te betreuren geweest. Na wat heen en weer gediscussieer kregen Geert en ik toestemming om naar Ar-Rumaythah af te reizen, om midden in het bolwerk van Muqtada Al-Sadr interviews af te nemen. Na deze onderneming hebben we alle gegevens verwerkt om daarmee de initiële opleidingen wederom te verbeteren. Met Geert als HoofdInstructeur (HI) van de Bravo Instructie Compagnie had ik daar direct een partner in crime, die volledig achter me ging staan tijdens de opleidingsvergaderingen, waar ik van Toon maar weer eens secretaris moest spelen. Zo konden we onze conclusies en aanbevelingen direct één op één implementeren. Hoe effectief wilde je nog meer zijn?

Een andere opdracht die ik met heel veel plezier heb mogen doen was het schrijven van het Handboek Onderofficier (HB OO), zeg maar de moderne versie van het aloude Handboek Kader. Het was in eerste instantie niet meer dan een idee, wat ik al eens vaker met wat mensen gedeeld had. Nu mocht ik daadwerkelijk zorgen dat het er kwam! Dat was naast heel veel werk ook weer een ding waar ik heerlijk mijn tanden in kon zetten. En zo kwam het HB OO dus uit, nog binnen de periode dat ik op deze functie geplaatst was. Van idee tot verstrekking aan alle Onderofficieren van de Koninklijke Landmacht in minder dan anderhalf jaar!

Vanuit mijn positie bij het Kennis Centrum was ik natuurlijk in contact met vrijwel alle opleiders bij de instructie compagnieën. Toen één van hen werd aangewezen om in Amerika aan de United States Army Sergeants Major Academy te gaan studeren heb ik me opgeworpen als zijn contactpersoon in Nederland. Mogelijk had dat ook te maken met het feit dat ik me al twee keer had opgegeven voor deze zeer ambitieuze cursus, maar telkens net achter het net viste. Paul Kerkhofs hield me goed op de hoogte, en liet door schemeren dat er ook daar ter plekke interessante informatie voor mij voor het oprapen lag. Tot dat moment was het gebruikelijk om de bevordering van de cursist te laten uitvoeren door de Landmacht Adjudant. Dus stelde ik rechtstreeks aan hem voor om dat dit jaar maar eens anders te doen. Ik was immers op dat moment bezig met het onderzoeken van de internationale OnderOfficiers (OO) opleidingen. Dus met die argumentatie ging ik richting El Paso, en kreeg in ruim twee weken een goed beeld van de Amerikaanse OO opleidingen van zowel onderbouw als bovenbouw. Want behalve de USASMA was er ook een reguliere NCO Academy (voor initiële opleidingen) op Fort Bliss. Ik werd geweldig opgevangen door Paul en zijn gezin, en naast werk was er ook gelegenheid tot ontspanning. Heerlijk zwembad in de tuin, met een biertje in de hand! En dat ik hem uiteindelijk op het grote podium mocht bevorderen was natuurlijk een perfect voorbeeld van weer wat eigenwijs gedrag van mij.

Om invulling te geven aan een opdracht van de toenmalige Krijgsmachtadjudant, Willem Tanis, ging ik voor een aantal weken werken bij het Ministerie van Defensie aan het Plein. Daar probeerde ik de Beleidsvisie Onderofficieren, zoals we die voor de Landmacht al hadden, te herschrijven voor alle Krijgsmachtdelen. Een schier onmogelijke opdracht. Enerzijds omdat de overige Krijgsmachtdelen nog geen visie hadden, danwel slechts een kladversie, en anderzijds vrijwel onmogelijk omdat de verschillen van rol en positie per krijgsmachtdeel zo groot waren dat zonder echt dikke concessies er niet één Paarse Beleidsvisie uit te fabriceren viel. Na drie weken zwoegen, en verschillende gesprekken met de Krijgsmachtdeeladjudanten, heb ik een concept kunnen overhandigen, met behoorlijk wat kanttekeningen. Uit de verschillende gesprekken begreep ik dat er voorlopig nog geen consensus te bereiken was. En Willem begreep dat het nog geen tijd was voor een dergelijk document, helaas voor hem, hij was zijn tijd nog te ver vooruit.

De tijd bij het KC KMS heeft me, naast een enorm uitgebreid netwerk, waar ik nog dagelijks voordeel van heb, wederom gevormd. Zo zette de KMS me weer met twee voeten op de grond, om weer goed te beseffen wat de rol van de onderofficier echt is. Daarnaast besefte ik als geen ander dat je niets gratis kreeg, hard werken leverde wel degelijk iets op. Deze periode heb ik waarschijnlijk het meest aan mijn persoonlijke ontwikkeling kunnen werken, op een heel natuurlijke wijze en zonder allerlei cursussen. Op het einde begonnen er verschillende commandanten aan me te trekken. Zo werd ik benaderd om Bataljons Adjudant te worden bij 17GFPI, maar toch besliste het lot, wederom, anders.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *