Instructeur in Harderwijk

Na terugkeer en het genieten van het uitschepingsverlof ging ik in het voorjaar van 1985 aan de slag in Harderwijk. Ik werd geplaatst op het Opleidings Centrum Infanterie om collega beroepsonderofficieren van het Wapen der Infanterie op te leiden. Dit was een voor mij niet geheel onbekende omgeving, ik was immers pas 4 jaar eerder hier zelf opgeleid tot sergeant infanterie. In eerste instantie kwam ik in het instructie peloton van dezelfde SMI, die klassecommandant was tijdens het laatste deel van mijn opleiding. Ik moest hem er even aan herinneren dat ik geen onbekende voor hem zou moeten zijn, ik stond immers op de klassefoto die boven zijn bureau hing. Je zult begrijpen dat ik het echt niet erg vond dat hij al zeer snel na mijn plaatsing werd overgeplaatst.

De plaatsing in Harderwijk was direct veroorzaker van een weekendhuwelijk. Samen vonden we dit geen goed idee, zeker niet aansluitend aan de lange periode van de uitzending. Jacqueline nam de grote stap om haar baan op te zeggen en met mij mee naar Midden-Nederland te verhuizen. Een klein beetje geholpen door bureau Huisvesting van Defensie, dat toen nog wat in de pap te brokkelen had, kwamen we terecht in Biddinghuizen, woonachtig op de ‘waarnemingspost Zuid’; Vanaf de zolder kon ik de Knardijk en de Flevohof (nu Walibi Holland) zien. Biddinghuizen was een verzamelplaats van allerlei mensen die zich vanuit alle windstreken daar vestigden. Zo ook personeel van Defensie, of eigenlijk meer bepaald van de Landmacht. Met name op de Veluwe stonden veel kazernes, met relatief weinig mogelijkheden tot huisvesting in de directe omgeving. Uitwijken naar Oostelijk Flevoland was dus voor velen een uitkomst. Flevoland is vruchtbare grond en dat bleek want na een rit van Biddinghuizen naar het ziekenhuis in Kampen, door een nacht met helse stormen, werd Joyce geboren. Natuurlijk veranderde dat ook voor mij wel het een en ander. Instructeur zijn had het imago van een rustige tijd, als afwisseling op het hectisch bestaan tijdens plaatsing bij een parate eenheid. Ik heb er echter weinig rust genoten, al was alles wel meer planbaar dan de periode daarvoor.

Opleiden van collega beroepsonderofficieren was een heel dankbare taak, met alle haken en ogen die daaraan zaten. Natuurlijk wilde ik zo veel mogelijk de positieve ervaringen uit mijn eigen opleiding gebruiken om de leerlingen te helpen naar een goed begin van hun loopbaan als infanterie onderofficier. Ik zag de leerlingen wel als jongere collega, met dien verstande dat ze nog wel veel moesten leren. Ook al zagen ze dat zelf vaak anders. Zoals ik nog wel wist van mijn eigen opleiding was zo’n beetje het meest frustrerende om na een oefening van een paar dagen te proberen geleende materialen terug te brengen. Dat was in die paar jaar niet veranderd. Gelukkig werd dit onderkend en hebben we met twee instructie-pelotons zo veel als mogelijk materiaal bij elkaar gesprokkeld zodat we een eigen AShok (AS = Autorisatie Staat, zeg maar lijst van organieke middelen) konden creëren, waar de leerlingen in de voorbereiding en nasleep van een oefening ook nog eens de zorg voor materieel aangeleerd kon worden. Dit hok heette het ‘ANBOhok’ naar de eerste letters van de beide klassecommandanten, de adjudanten Ancona en Bosch.

Om de leerlingen niet alleen te laten focussen op de theorie en de vaardigheden werd er met grote regelmaat ook aan mentale vorming gedaan. Soms op een heel persoonlijke manier, andere keren meer klassikaal. Tijdens de praktijklessen kaartlezen werd soms expres de leerling van de leg gebracht, waardoor hij in no time de weg kwijt raakte. Als instructeur reed ik zelf (ik had in de periode bij het verkenningspeloton mijn militair rijbewijs kunnen halen) en kende de routes uit mijn hoofd. Soms hielp je dan door de richtingaanwijzer al aan te zetten, al werd dat wel eens verkeerd begrepen. Ook kon je sommige leerlingen peentjes zien zweten als je stopte voor een verkeerslicht en vervolgens vrolijk een streepje zette op het beoordelingsformulier bij ‘stoppen om de weg te zoeken’. Dat dit later weer uitgegumd werd, kon betrokkene natuurlijk alleen maar hopen. Kaartlezen deed ik liefst in een ouwerwetse Nekaf, niet omdat die geen verwarming had en het overal doorheen waaide, maar omdat de leerlingen achterin dan in de rijrichting zaten, en veel beter zicht hadden op waar we reden. Dat zullen ze nooit geweten hebben, soms doe je dingen voor je leerlingen die ze nooit vermoeden. Overigens is navigeren, met of zonder kaart, een vaardigheid die vaak onderschat wordt. Door de jaren heen is niet alleen de techniek verandert, maar helaas ook de inschatting van het belang. Was het tijdens mijn eigen opleiding nog een hoofdvak, werd het al snel een bijvak en, mogelijk onder de invloed van navigatiesystemen en battlefield management systemen, in veel opleidingen inmiddels compleet uit het vakkenpakket gehaald.

In die periode heb ik nauw samengewerkt met o.a. Peer Donkers, de latere Landmachtadjudant. Naast het feit dat ik veel van hem leerde op instructiegebied, liet hij ook nog wel eens de prioriteiten van Klaverjassen zien. Soms was de rol van instructeur ook vormend voor mezelf. Zo was ik natuurlijk nooit compleet opgeleid geweest op het 25mm snelvuurkanon, en ging ik samen met m’n klas op cursus Schietinstructeur. Dat betekende dan wel dat ik eigenlijk elke test het minstens net zo goed, maar eigenlijk beter dan de leerlingen moest kunnen afleggen. Zo zat ik dus ’s-avonds thuis met de ogen dicht de handelingen te oefenen in een denkbeeldige toren, Jacqueline als controleur, met de checklist in de hand. Naast de technische vaardigheden was een groot deel van de opleiding ingericht voor tactische optreden te velde. Daardoor waren we eigenlijk zo ongeveer om de week op pad met YPR pantserinfanterie rupsvoertuigen. De samenstelling van de instructiepelotons was meestal van die grootte dat er een vrijwel compleet infanteriepeloton kon worden samengesteld, met de functies van de kaderleden (PC, PS en groepscommandanten) voor de leerlingen die ‘aan de beurt’ waren.

In de huidige tijd zou het ondenkbaar zijn als we kijken naar de arbeidsomstandigheden van toen; als instructeur stonden we meestal op het dek van de YPR tijdens verplaatsingen, het geopende torenluik vasthoudend voor de stabiliteit. Met een lange intercomkabel om de radio- en intercom berichten te kunnen blijven volgen. Van enige veiligheidsmaatregelen was geen sprake. Slapen deden we als instructeurs natuurlijk wel relatief luxe. Daarnaast lieten we meestal de jongste instructeur tijdens de oefening MAGtassen (loempia’s) en reservelopen (frikandellen) halen bij de plaatselijke frituur.

Velddienstoefeningen leenden zich, naast de tactische opleiding, ook weer prima voor de broodnodige vorming. Het was het natuurlijk prima om, na een periode van voedingdeprivatie, tegen één leerling te zeggen dat de bananen aan de linkerkant waren uitgedeeld. Natuurlijk waren er geen bananen maar werden de reacties nauwlettend door ons in de gaten gehouden. Op deze manier konden we beoordelen of deze jonge collega onderofficieren straks ook goed genoeg voorbereid waren op de teleurstellingen die ze nog tegen zouden komen. Ondanks dat we op dat moment nog geen documenten over vorming hadden werd er door ons al wel bewust aan vorming gedaan. Door de ervaringen die ik hier op deed werd later in mijn loopbaan vorming steeds belangrijker. Kennis en vaardigheden zijn belangrijk, maar een stabiele persoonlijkheid met de juiste competenties zijn minstens zo belangrijk. Zonder twijfel waren de lessen en oefeningen te velde bij mij favoriet, maar ook theorielessen stonden natuurlijk op het rooster. Naast de algemene lessen was ik blij dat ik de lessen ‘optreden Warschau Pact’ mocht verzorgen. Door mijn achtergrond in het verkenningspeloton was de parate kennis beter dan gemiddeld en door het feit dat ik hier les in moest geven ging je als vanzelf investeren om nog beter boven de stof te staan. Door het combineren van de lessen materieelherkenning met dit onderwerp maakte ik de context voor de leerlingen duidelijker. Daarnaast leerde ik zelf hoe ik de leerlingen bij lastige, en voor sommigen zelfs saaie, onderwerpen er wel bij te houden. Ook het kunnen differentiëren is in die periode, in het begin onbewust, verder ontwikkelt.

Om in die periode de conditie goed te onderhouden gingen we met een aantal collega’s vanuit Biddinghuizen met de racefiets op en neer. In de polder was het altijd wind tegen, dus Peer Donkers en ikzelf konden ons prima uitleven. Daarbij werden vooral ook de nieuwe collega’s gevormd, door hen te laten zien wat hard fietsen is. De samenstelling van het groepje fietsers was dan ook niet altijd hetzelfde, diverse collega’s vonden het na één of twee keer al voldoende. Zelf werd ik overigens ook nog wel wat gevormd. Zo werd ik tijdens een winter met veel ijs uitgenodigd door collega Broekroelofs om een tourtocht te schaatsen op een van de randmeren. Dat schaatsen op noren voor mij iets heel nieuws was, wilde ik natuurlijk vooraf niet vertellen. Na 25 kilometer was ik dan ook echt helemaal op, en had waarschijnlijk beter kunnen insteken op een kortere afstand. In deze periode ben ik me gaan toeleggen op de Triatlon en heb vele dagen na thuiskomst op de racefiets in het schuurtje snel schoenen gewisseld en afgesloten met een rondje hardlopen. Ondanks de aanwezigheid van voldoende water heb ik toen onvoldoende geïnvesteerd in het eerste onderdeel; het zwemmen. Daardoor kwam ik bij alle deelnames aan kwart- en halve triatlons altijd op behoorlijke achterstand uit het water, wat ik dan bij fietsen en lopen weer moest goedmaken. Ik herinner me nog een editie van de triatlon in Biddinghuizen dat er in het kanaal behoorlijk wat golfslag stond en ik daardoor bijna niet vooruit kwam. Daardoor zo vermoeid dat ik tijdens het fietsen een smakker maakte en dus de strijd moest staken, terwijl dat normaal niet in mijn woordenboek voorkwam.

Ik kwam er op enig moment ook achter dat er soms ook ruimte moet zijn voor enige nuancering. Ik denk dat ik in die periode best wel zwart-wit was, mogelijk omdat dit voor mij als relatief jong kaderlid het houvast bood om in de toch complexe omgeving van het vormen en opleiden van collega’s het hoofd boven water te houden. Ik herinner me een geval waarbij ik, als plaatsvervangend klassecommandant bij afwezigheid van de organieke klassecommandant, bijna een leerling liet ontheffen op een tiende (0,1) punt. Ik leerde pas veel later om hier met meer nuance naar te kijken, ik voelde me zelfs een beetje verraden toen de schoolleiding ingreep en betrokken leerling alsnog liet slagen. Overigens is betrokken collega later uitgegroeid tot een meer dan voortreffelijke collega, met veel meer in zijn mars als wat ik toen wilde zien.

Een voordeel van plaatsing bij de Infanterieschool was dat elke drie maanden die ‘zure’ adjudanten van Directie Personeel Koninklijke Landmacht langs kwamen. Zij kwamen voor de plaatsingen van leerlingen van de klassen die gereed waren met de opleiding maar het bood wel de mogelijkheid om in een kort gesprek invloed uit te oefenen op je eigen volgende plaatsing. Een van hen was ook nog eens Limburgse Jager, dus uiteindelijk bleek mijn aandringen voldoende om, zes dagen na de minimale plaatsingsperiode van drie jaar, overgeplaatst te worden en ons jonge gezin mee te nemen naar Seedorf. Opvallend was overigens dat veel personeel van de Infanterieschool in Harderwijk een band met 42e Bataljon Limburgse Jagers (42BLJ) in Seedorf had. Of men had daar al gewerkt of men ging van uit Harderwijk voor een volgende plaatsing naar Duitsland. Zo gingen onder andere eerder genoemde Peer Donkers en Henk Bosch een half jaar voor ons die kant op.

Alles bij elkaar was ik inmiddels door ontwikkelt tot een behoorlijk compleet onderofficier. Ik had inmiddels invulling gegeven aan de rol van onderofficier, zoals die voor iedereen was bedoeld; vakman, leider en instructeur. Vakman kwam denk ik vooral in mijn eerste uitzending in Libanon goed uit de verf, terwijl Leider met name in de eerste parate functies in Den Bosch verder doorontwikkeld was. Ervaring als Instructeur had ik nu ook daadwerkelijk opgedaan, al moet gezegd dat je ook tijdens alle andere plaatsingen bezig bent met de competentie ‘ontwikkelen medewerker’.

Dit moment markeerde wel een beetje het punt in mijn loopbaan waar al iets merkbaar werd van het feit dat ik al wat langer meeliep. Plaatsingen in de onderbouw waren iets wat je onderging, en waar je zo goed als niets aan kon veranderen. Door het tonen van initiatief werd er toch invloed uitgeoefend op het plaatsingsbeleid. De periode Harderwijk was, naast een verdere ontwikkeling van mijzelf als meer complete onderofficier en pantserinfanterist, ook van groot belang voor de ontwikkeling als echtgenoot en vader. Al moet ik wel eerlijk bekennen dat de verhouding op de weegschaal werk-thuis ook toen nog absoluut de verkeerde kant in sloeg. Ongemerkt leek werk belangrijker dan heel veel andere dingen. De relatieve rust van een plaatsing in opleidingsland was slechts een soort planningstool, want ik was zeker niet vaker thuis, alleen was het meer planbaar. Inmiddels waren we, naast de zorg voor onze dochter, ook baasjes geworden van onze eerste hond, Cyron, een Golden Retriever reu. Gelukkig waren de weekenden daar een prima tijd voor.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *