Eerste parate functies

Begin 1981 heb ik me gemeld op de Koning Willem I Kazerne in Den Bosch, na een korte periode met een Limburgse Jagers embleem en daarna het KMS-embleem kreeg ik nu het van Heutsz embleem op m’n baret. Vaak moest ik uitleggen dat ik deel uitmaakte van het parate deel, en niet van de Bewakings-compagnieën van hetzelfde Regiment. De Willem I kazerne was een geweldige kazerne, waar eigenlijk alleen het bataljon geplaatst was. Dat had vooral voordelen, maar soms ook nadelen. Zo was je elke maand tenminste drie keer wachtcommandant; één keer in het weekend, één keer dagwacht en één keer nachtwacht. Maar ook een kazerne met een geweldige Onderofficiersmess, de Oude Smidse, waar ik als binnenslaper ook ’s-avonds nog weer verder gevormd werd. Door mijn oudere collega’s, maar zeer zeker ook door de barkeepers; Paul en Paul.

Nadat ik mijn loopbriefje had afgewerkt kon ik direct aan de gang in de ‘schoolset’ bij de toenmalige kapitein van Uhm, veel later werd hij Commandant der Strijdkrachten, CDS. Bij het peloton dat ik mocht opleiden was ik de enige beroeps. In eerste instantie keek ik daar een beetje van op, want er werd al snel naar mij gekeken als zijnde de Subject Matter Expert. Met datzelfde peloton werd ik na de korte opleiding van vier maanden paraat. We waren er vanaf dat moment van. Ik werd direct PelotonsSergeant, in de volksmond PS, dus de onderofficier naast de dienstplichtig vaandrig die als PelotonsCommandant (PC) leiding moest geven aan een gevechtseenheid van ongeveer veertig man met vier voertuigen. De legering van het peloton had voor ons een groot voordeel.
Ze sliepen namelijk in één enorme slaapzaal waar ze allemaal lagen. Ik leerde ook al heel snel hoe het zat met informeel leiderschap. Ik kan me een voorval herinneren waar ik van mening was dat het corvee onvoldoende was uitgevoerd en dit door een plaatsvervangend groepscommandant, een dienstplichtig korporaal, werd opgelost met wat losse handjes. Zonder dat ik gezien had wat er was gebeurd werd er plotseling opnieuw geveegd door iemand waarvan ik later vermoedde dat hij toch een blauw oog had opgelopen bij deze opdracht.

Naast de jonge dienstplichtige infanteristen hadden we ook de beschikking over een aantal beroepskorporaals. Zij waren met name ingezet als chauffeur pantservoertuig (YP408) en wisten vooral goed hoe ze met een jonge, nieuwe PS overweg moesten. Net doen alsof ze keihard werkten en verder niet al te moe worden was hun devies. En het duurde best lang voordat ik dat goed door had. Toen ik ze daarmee confronteerde had ik het natuurlijk allemaal verkeerd gezien. Wel werd het gewaardeerd dat ik het toch durfde te zeggen, dus werd het daardoor makkelijker om met hen te kunnen werken.

Een enorme leercurve waar ik na de eerste lichting in ieder geval helder had wat ik de volgende keren maar beter niet meer kon doen. Van die periode herinner ik me vooral dat ik de ‘jongste’ onderofficier was.  ‘Jongste’ zijn was zeer vormend, hetgeen zich vooral uitte tijdens bataljons oefeningen. Als jongste was je zo’n beetje verantwoordelijk voor alles wat de oudere onderofficieren wilden. En dat varieerde van bier halen, tot zorgen voor de kachel in de tent, die overigens voor mij ’s-nachts nog Out of Bound was. Zo sliep ik de eerste oefeningen gewoon in m’n pubtent, en pas daarna was ik genoeg gevormd om ook in de grote tent te mogen slapen. Overigens was dat op een plek zo ver van de kachel af dat ik misschien beter buiten had kunnen liggen.

Als binnenslaper at ik tijdens kazerneweken elke avond in de onderofficiers eetzaal samen met de rest van de binnen slapende onderofficieren.  In die tijd hadden we nog hofmeesters die ons bedienden. Natuurlijk was het af en toe leuk om de boel een beetje op stelten te zetten. Bijvoorbeeld door in het vel van de pudding met het zakmes een lullige opmerking te kerven en door de hofmeester terug naar de keuken te laten brengen. Dat leverde mij in ieder geval een douw op, waardoor ik een week lang niet in de eetzaal mocht komen. Natuurlijk loste ik dat op door me vrijwillig aan te melden als Sergeant van de Week, waarbij een van de taken was om in de eetzaal de orde en rust te controleren. En zodoende at ik, ondanks mijn straf, toch in de eetzaal. Gelukkig voor mij kwam er al na drie maanden een einde aan mijn rol als jongste. Hans Spitters kwam binnen en op dat moment nam hij die positie over. Van die eerste periode paraat is onder andere Danny Villanueva voor mij van belang geweest; als collega PS leerde ik vooral van hem dat er altijd een andere oplossing mogelijk was.

Naast het normale opwerktraject, een dienstplichtige lichting moest immers op het einde wel voldoende voor hun taak zijn opgeleid en getraind, waren er ook diverse andere zaken van belang. Zo leerde ik in die tijd het belang van traditie kennen. Een van de tradities die ook voor mij nieuw was, was het gebruik van militaire trompetsignalen bij het Bataljonsappel, dat we elke dag hadden. Dat appel ving aan met het signaal ‘5 minuten voor appel’, gevolgd door ‘appel’ en ‘rapport’. Na het hijsen van de Nederlandse vlag volgde ‘vlag gereed’ en begon de officiële werkdag. Ondanks dat de signalen over de geluidsinstallatie werden afgespeeld vanaf een ouwerwetse langspeelplaat, en er dus een behoorlijke kraak in zat, was het wel zeer uniek en heb ik het niet op deze wijze bij andere eenheden meegemaakt. Voor mij een reden om er later bij de diverse happenings die ik mocht organiseren wel aandacht voor te hebben, en zo goed mogelijk probeerde in te regelen. Naast de trompetsignalen was ook de Vereniging Oud Korea Strijders een traditie die er mocht zijn. Nu zouden we vooral vinden dat het valt onder het uitvoeren van steunverleningen, op dat moment was het vooral een eer om een dagje voor de Korea veteranen te mogen zorgen.

Na slechts iets meer als een complete lichting werd ik PS van het Verkenningspeloton. Dat was een unicum in die tijd, want die functie was meestal weggelegd voor de meest ervaren Sergeant1 van het bataljon. Nadeel daarvan was wel, dat die oudere Sergeant1 vaak niet een complete functie kon afmaken, reden voor de BataljonsCommandant om een jonge, enthousiaste sergeant aan te wijzen voor het vervullen van deze functie. Apetrots was ik natuurlijk. Het meest zelfstandige peloton van het hele bataljon, verantwoordelijk voor het verzamelen van gevechtsinlichtingen. Werken op dat niveau vergde ook een compleet andere insteek. Als PS was ik vooral verantwoordelijk voor de complete Opleiding en Training van de eenheid, en voor de logistiek, van onderhoud tot en met bevoorrading. Ook binnen dit peloton was ik als enige beroeps omringt door dienstplichtigen. Ongelooflijk hoe goed de inzet en motivatie van die dienstplichtigen was. Zeker als je in aanmerking nam dat ze veel liever door waren gegaan met studeren of werken. Het verkenningspeloton was als enige eenheid van het bataljon gevuld vanuit verschillende lichtingen (individueel aanvullingssysteem INDAS). Dat vergde voor mij in het kader van opleiden en trainen een heel andere aanpak dan wat ik tot dan toe gewend was. En ik had geen collega waar ik even bij aan kon kloppen om te vragen hoe hij dat deed. Gelukkig werd het peloton aangestuurd vanuit de bataljonsstaf, door de Sectie S2, Inlichtingen. Ook in die tijd hadden we tekorten, dus de Sergeant Majoor S2 Toegevoegd, Kees de Waard, was de hoogst aanwezige en ons aanspreekpunt. Gezien zijn afkomst van het Korps Commando Troepen kreeg ik stiekem allerlei zaken te doen met het peloton die vooral leken op de taken van de Waarnemer Verkenners van 104. Zo groeven we met gemak waarnemingsputten op locaties die zeker niet de bedoeling waren van de terreinopzichters. Ik werd dan ook erg goed in navigeren, met en zonder behulp van extra middelen. Zo goed, dat ook op lastige stukken van bijvoorbeeld de Drunense Duinen er ook zonder kompas via de kortste route naar de koffie bij de Rustende Jager gelopen kon worden. Ook werd de flexibiliteit met grote regelmaat getest, en werden er vaak niet geplande infiltratie en exfiltratie oefeningen uitgevoerd.  Meestal kwam het erop neer dat Kees tegen me zei: Bel Jacqueline maar even op, komende week ben je onbereikbaar. Nu hadden we een voordeel: er waren nog geen mobiele telefoons en aangezien ik gezakt was voor mijn rijbewijs reed Jacqueline rond met mijn Opel Ascona met veel te brede banden, klein sportstuur en zonder stuurbekrachtiging. Zij kon me dan mooi op vrijdag weer op komen halen op de kazerne. Op die vrijdag hing ik dan afgepeigerd met veel te veel kilo’s op m’n bult in de lantaarnpaal voor de kazernepoort uit te hijgen, trots op mijn eigen prestatie, maar nog veel meer op de prestatie van onze mannen. Ze bleven toch maar mooi doorgaan, ondanks dat ze ‘maar’ dienstplichtig waren. Ik herinner me uit die tijd nog dat we binnen het peloton wel een duidelijk scheiding hadden; een deel trad op met open Landrovers met een mitrailleur MAG op affuit, en het andere deel had pantserwielvoertuigen van het type YP-408 Co (commandovoering). Dat laatste deel was verantwoordelijk voor de inzet van onze radarsystemen voor grondbewaking; ZB-298. Met deze radars waren we in staat om voor het bataljon de vijandelijke bewegingen in kaart te brengen. Er was wel veel verschil tussen beide delen; het deel op de open Landrover stond altijd in de ‘elementen’: koud, nat, warm, wind, enz. De radaristen daarentegen zaten vooral binnen, bij een joekel van een kachel. Bij de uitrusting van de boordschutters van de YPR behoorde een tankoverall, die ze eigenlijk niet zo heel erg nodig hadden. Reden voor mij om deze dus op bruikleen door te verstrekken aan de MAGschutters op de Landrovers, die daardoor iets meer beschutting hadden. De voorruit van de Landrovers lag altijd plat op de motorkap in een hoes om de schittering van de ruit weg te werken. Iets dat er zeker stoer uitzag maar voor de bemanning wel veel minder comfort betekende. De meesten regelde voor de MAGschutter een lange slang die ze konden aansluiten op de verwarmingsuitgang van de auto. De andere kant hing dan in de overall, zodat ze nog iets van warmte meekregen. In die tijd hadden we nog geen regenpakken of winterkleding. Ademende kleding was nog niet uitgevonden. De meesten deden dan bij slecht weer ook een civiel regenpak onder de militaire kleding. Voor mij was dit lastig, ik was immers opgevoed met het motto dat civiel en militair niet te combineren waren! Het kostte me dus moeite om de competenties creatief en mensgericht zodanig door te ontwikkelen dat afwijken van voor mij vaststaande zaken mogelijk werd. Ook dat was een stuk vorming, die bijna als vanzelf ontstond.

Tijdens de kazerneweken werd soms ook een beroep gedaan op ons vermogen om mensen om de tuin te leiden. Zo was er elk jaar een CommandantenInspectie, waarbij we allemaal door het hoger niveau bekeken werden op de diverse vakgebieden. Een onderdeel van deze inspectie was de kast- en tenue inspectie, waarbij alles er spik en span bij moest liggen, koper gepoetst en alles mooi in de blanco. Terwijl we er normaal juist voor moesten zorgen dat het juist niet blonk en zo min mogelijk opviel. Dat leverde dus extra PSU setjes op die ik speciaal voor dit soort inspecties uitleende aan de groep die werd aangewezen. Ook de Sectie S2 deed mee om de inspectie zo goed mogelijk te laten verlopen. Speciaal voor dat geval was een terrarium op het bureau geplaatst, met daarin Anolissen (hagedissen) waar de inspecteurs dan wat extra tijd voor doorbrachten om zodoende minder tijd voor de inspectie te hebben.

In deze periode kozen Jacqueline en ik ervoor om ons te settelen en we huurden een grote flat in Geldrop. Na een behoorlijk lange periode van binnenslapen op de kazerne was het nu soms heerlijk om ook door de weeks gewoon lekker thuis te kunnen zijn. Gelukkig was ik inmiddels wel geslaagd voor mijn rijbewijs en was dagelijks heen en weer reizen mogelijk geworden. Blijkbaar beviel ons het dagelijks leven zo goed dat we in maart 1983, op een koude maar mooie dag getrouwd zijn. Doordat ik soms avonden thuis was konden ook de hobby’s weer wat vaker worden uitgevoerd. Ik fietste in die periode behoorlijk en vroeg op enig moment een amateurlicentie aan. Dat viel eerlijk gezegd behoorlijk tegen, want in tegenstelling tot de meeste andere wielrenners had ik regelmatig oefeningen van een week of langer. Die trainingsachterstand kon ik eigenlijk nooit goedmaken en dus was er geen profcarrière voor mij weggelegd. Niet dat ik daarnaar op zoek was, ik had immers een mooie loopbaan bij de Landmacht voor me liggen. Onderofficieren hebben geen carrière, die is weggelegd voor officieren. Onderofficieren hebben een loopbaan, en meestal voelde die aan als kruipgang.

Van huis uit was ik geen voorstander van verplaatsingen te voet, als het tenminste ging om simpel weg van A naar A lopen, met geen enkel ander doel dan lopen. In de periode in Den Bosch heb ik me laten verleiden door Hans Spitters om een keer de Airborne Mars te lopen, waarbij Hans zijn voorliefde voor AirAssault duidelijk werd, of misschien zelfs daar geboren werd. Ik vond het slechts een zinloos tijdverdrijf, en heb me na die mars dan ook voorgenomen om nooit mee te doen met evenementen als de Vierdaagse van Nijmegen. Tot op de dag van vandaag heb ik dat vol kunnen houden, met uitzondering van sporadisch meelopen met mijn kinderen bij de avondvierdaagse in de diverse woonplaatsen. Ik was Pantserinfanterist, in hart en nieren!

Naast de kleinere oefeningen waren er in die periode ook grootschalige oefeningen in het buitenland. Tijdens een van die oefeningen werden we ingezet met behulp van twee CH53 transporthelikopters van de Duitse Landmacht. Per heli één landrover en personeel. Na een vlucht van ruim een halfuur werden we in de omgeving van Kiel afgezet om vandaar uit een snelle actie uit te voeren op een brug. De overige voertuigen sloten later bij om onze eenheid weer compleet te maken. Zo werden we de eerste Nederlandse eenheid die luchtmobiel werd ingezet tijdens een oefening. Let wel, dit was natuurlijk ruim voor de oprichting van de Luchtmobiele Brigade.

In september 1983 werden we ingezet tijdens de NATO oefening Atlantic Lion, de grootste oefening van Nederland na de Tweede Wereldoorlog. In een strook oost van de Nederlands-Duitse grens werden de Nederlandse troepen ingezet als Blauwland met als tegenstander Groenland, met voornamelijk Amerikaanse militairen van 1(US) Cavalry Division. Groenland werd ondersteunt door Britse en Duitse eenheden. Tijdens dit soort oefeningen werd de realiteit zo veel mogelijk benaderd en mocht je dus ook overal rijden en komen. Omdat ik verantwoordelijk was voor de bevoorrading van onze mannen moest ik regelmatig via vijandelijk grondgebied op zoek naar onze logistiek. Om te zorgen dat de vijand het niet al te makkelijk kreeg werd het verhangen en weghalen van bewijzeringsbordjes een echte sport. Na deze oefening hadden we dan ook een volle wand met bewijzeringsborden van eenheden waar we nog nooit van hadden gehoord. Dat de realiteit hoog was bleek onder andere ook bij het maken van krijgsgevangenen. Tijdens een van de acties hadden we een Amerikaanse Luitenant gevangen genomen. Hij werd geboeid achterin in mijn Landrover gezet en ik probeerde hem af te leveren bij de bataljonsstaf. Alleen was die staf natuurlijk elke keer aan het verplaatsen, en duurde het meer dan twee dagen voordat ik hem eindelijk af kon leveren. De inlichtingenwaarde was op dat moment al gereduceerd tot bijna nul, maar ik kon hem ook niet langer bij me houden. Overigens was hij vooral in het begin erg stoer, en veel meer als naam, rang en registratienummer kwam er niet uit. Na twee dagen en een blikje Coca Cola werd hij wat loslippiger en wilde eigenlijk ook niet veel meer als gewoon over werk kletsen, als professionals onder elkaar.

Groot voordeel van het deel uitmaken van een pantserinfanterie bataljon uitgerust met wielvoertuigen bleek vooral bij het zoeken naar geschikte locaties om te mogen staan. Als je bij een boer aankwam en aan kon geven dat je “keine Ketten” (geen rupsvoertuigen) bij je had, was er vaak al heel veel mogelijk. Zo veel dat er vaak nog wel even gevraagd werd of we niet een oud aftands schuurtje omver konden rijden, om daarna via de schadeorganisatie geld te claimen. Natuurlijk gingen we nooit op dergelijke verzoeken in…

De oefening Atlantic Lion was zo’n beetje de laatste grote actie die ik bij het 48e mee heb mogen maken. Mijn eerste periode als pantserinfanterist sloot ik dus af op een meer dan waardevolle manier. Ondanks dat ik al snel van een pantserinfanteriepeloton naar het verkenningspeloton ging was er wel een heel goede bodem gelegd. Deze ervaring bij de pantser (wiel) infanterie kon me niet meer afgenomen worden en zou me later weer van pas gaan komen.

5 antwoorden
  1. Gerard Bal
    Gerard Bal zegt:

    De oefening Atlantis Lion begon in Vlissingen. Hier werd het materiaal en materieel ontscheept. Als reservist ( Natres) nog deel uit gemaakt van de bewakingsploeg in de Vlissingse Sloehaven

    Beantwoorden
    • Marijn Verbaant
      Marijn Verbaant zegt:

      Zo zie je maar Gerard, wij waren al lang voordat we bij 13X aan elkaar verbonden werden, collega! Leuk dat je meeleest!

      Beantwoorden
  2. Hans Schoenmakers
    Hans Schoenmakers zegt:

    Leuk en herkenbaar jouw verhaal als ps bij painfpel. Als dpl vdg bij 17 painfbat C-Cie had ik er aanvankelijk moeite mee om ‘mijn’ soldaten en korporaals allerlei door de beroeps aangeleerde drills en skills ook te laten vermengen met hun eigen inzichten de uitoefening van hun taken. Mijn ps heb ik kunnen overtuigen om een andere aanpak van de dpln te gaan hanteren. CC en csm waren en bleven van de oude stempel.

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *