Initiële opleiding

De middelbare school was niet de meest geweldige tijd. Niet vanwege de school of de leerkrachten, maar omdat ik er na een drietal jaar achter kwam dat ik klaar was met effort stoppen in zaken die in mijn optiek nergens toe gingen leiden. Elke dag zaken leren waarvan ik vermoedde dat ik ze later nooit meer nodig zou hebben. Of dat ook echt zo was laat ik even in het midden, maar het was in ieder geval de reden om stappen te ondernemen. Hier liet ik zien dat durf en initiatief er al in de basis inzaten. Wat wilde ik dan wel? Het leger in! En waarom? Dat was ook voor mij in die periode niet echt helder, om het eerlijk te zeggen. Waarschijnlijk vermoedde ik daar tenminste wel bezig te zijn met zaken die me en interesseerden en die zouden leiden naar een doel. En wat wilde ik dan doen in ‘dat’ leger? In mijn beperkte optiek was er slechts 1 leger, namelijk de Landmacht en dan ook nog eens de Infanterie. Ondanks dat er in mijn omgeving wel andere invloeden waren. Zo was mijn vader cavalerie verkenner geweest met een inzet in Indonesië, waar hij eigenlijk nooit iets over vertelde. Ook was de vader van een klasgenote onderofficier vlieger bij de KLu maar dat weerhield mij er niet van om blijvend te kiezen voor de Infanterie. De eerste stap was thuis aangeven dat ik wilde stoppen met school, waarbij het aangeven dat ik vervolgens bij Defensie wilde gaan werken het besluit voor mijn ouders een stuk makkelijker maakte. In die tijd hadden we natuurlijk nog geen internet en smartphones dus werd de bon uit de TVgids ingevuld. De Defensie organisatie maakte al direct een dikke fout, door tijdens de thuisafspraak met een wervingsfunctionaris alleen maar folders van de opleiding tot officier aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) op tafel te leggen. Terwijl ik toch echt aangegeven had te willen solliciteren voor onderofficier. Dat ik op dat moment nog leerling was op een Atheneum was voor hen misschien de gedachte dat ik een kruisje verkeerd gezet. Dat eerste gesprek duurde dus echt maar een klein kwartier, en stiekem moest ik er wel een beetje om lachen. De tweede afspraak verliep veel soepeler, en de foto op de voorkant van de folder, met een infanterie onderofficier, gecamoufleerd, in gevechtsuitrusting, geknield in een dennenbos, overduidelijk het velddienstteken voorwaarts makend, paste helemaal in het beeld dat ik had. De sollicitatie werd in gang gezet, en direct maakt ik gebruik van het feit dat ik dan ook maar vervroegd in dienst moest. Dat kostte onevenredig veel moeite overigens, ik had namelijk recht op broederdienst, waar ik geen gebruik van wilde maken en sommige lichtingen rond mijn geboortejaar stonden op het punt om niet meer opgeroepen te worden. Uiteindelijk, drie brieven verder, kwam toch het verlossende bericht: Keuring Dienstplicht in Breda. En al vrij snel daarna volgde de brief Opkomst in werkelijke dienst, en mocht ik me melden op 8 november 1978, 6 dagen na mijn 18e verjaardag.

Van die eerste dag herinner ik me niet al te veel meer, al weet ik nog wel dat ik op NS station Ermelo uitstapte en direct naar een militaire vrachtauto werd gedirigeerd. Een YA 328, leerde ik later, bracht me naar de School Reserve Officieren en Kader Infanterie (SROKI) op de Jan van Schaffelaerkazerne waar ik werd ingedeeld bij de 3e Schoolcompagnie, gelegerd op de Generaal Spoorkazerne vanwege plaatsgebrek op de SROKI zelf. Dus elke keer een extra stuk wandelen via het Braamstruikse Binnenpad. Misschien is daar mijn hekel aan verplaatsingen te voet wel geboren? Die eerste dag kregen we onze uitrusting en wapen uitgereikt en de dag eindigde met een verplaatsing naar het introductiebivak op de Ermelose Heide. In het donker een uitleg over het opzetten van de pubtent (twee tenthelften aan elkaar geknoopt) en hoe we in de slaapzak moesten liggen; alle kleding, schoenen en je wapen in je slaapzak, en zelf in je pendek, waarvan ik pas veel later begreep dat dat een Indonesische term was van vroeger. Wat was die rits koud! Het was die nacht -24oC, dus meteen goed raak. De maanden in Ermelo gingen in een razend tempo, met veel aandacht voor het aanleren van handelingen. Ik was voorbestemd om groepscommandant te worden in Seedorf, dus naast alle typische infanterie te voet tactieken werd er ook een verkorte 25mm snelvuurkanon cursus ingevoegd.

Na een kleine twee maanden moest ik me plotseling bij de Compagnies Commandant (CC) melden. Dat was natuurlijk geen sinecure, normaal gesproken was de luitenant al een behoorlijke stap om mee te praten, dus een onderhoud met de majoor leek niet echt positief. Zeker niet bij majoor Tesink, in onze optiek een oude rot, die in z’n uppie zowat de Tweede Wereldoorlog gewonnen had. Wat had ik gedaan waardoor ik negatief was opgevallen? Ik ging schoorvoetend naar binnen en verwachtte te worden ontheven van de opleiding. Wat ik me allemaal wel niet in m’n hoofd haalde. Wat niet, waren de eerste woorden van de majoor. Gesolliciteerd en goedgekeurd voor de Koninklijke Militaire School (KMS), goedgekeurd voor het Korps Commando Troepen (KCT) en vrijwillig opgegeven voor uitzending UNIFIL[1] in Libanon…. En dat terwijl ik was voorbestemd voor dienen in het buitenland. “Je kunt niet alles tegelijk, vertel maar wat je allemaal niet gaat doen….” Tja, daar moest ik eigenlijk even over nadenken. Gelukkig mocht ik er de volgende ochtend op terugkomen, dus kon ik er een nachtje over slapen. Samen met m’n maatje Philip de Koning een goed plan gemaakt, dat er op neer kwam dat ik eerst maar eens de toekomst vast ging pakken, dus naar de KMS. Philip ging eerst naar Libanon (daarover later meer), want zijn sollicitatie KMS was nog niet rond. Van de andere zaken is uiteindelijk alles toch nog goed gekomen, met uitzondering van het KCT. Daar ben ik wel vaak genoeg geweest, niet om Commando te worden, maar op gevechtscursus vanuit de KMS en talloze keren met de oefening Pantserstorm.

Nadat ik mijn besluit had medegedeeld bij de CC werd ik overgeplaatst naar Infanterie Algemeen om iemand anders naar Seedorf te kunnen laten gaan. In plaats van verder gaan met het voor die tijd supermoderne 25mm snelvuurkanon kreeg ik les op de Brengun mitrailleur en schoot op het Infanterie Schiet Kamp (ISK) met een exemplaar uit 1943. Na het behalen van de sergeantstreep kreeg ik een fluit, 10 man en een stuk van de Ermelose Heide. Mijn eerste rol als instructeur was geboren; ik gaf les velddiensttekens aan leerlingen van de volgende lichting. Daarnaast moest ik zorgen dat er in de tent van de Compagnies Sergeant Majoor (CSM) koffie gezet werd en dat de kachel bleef branden. Als 18 jarige zag ik de wereld nog voor een doedelzak aan, en de CSM zorgde dat ik langzaam steeds meer vertrouwen kreeg in mijn rol. Ik werd dus gevormd!

Ergens in de laatste dagen van 1978 deed ik een voor mij verrassende stap: ik stapte in Ermelo in de trein, echter deze keer niet met bestemming Eindhoven, maar ik stapte uit in Breda. Ik wandelde naar de Bothastraat en belde aan op de derde verdieping. Ik kende Jacqueline natuurlijk al veel langer maar deze stap betekende volgens mij voor ons allebei toch wat meer en uiteindelijk zijn we zelfs aan elkaar blijven plakken. Vanaf het begin wist Jacqueline wat er op haar af kwam, al had ze de echte consequenties mogelijk op dat moment nog niet kunnen inschatten. Gedurende het hele verhaal zullen we haar regelmatig weer tegenkomen.

In April 1979 bracht mijn moeder me naar de KMS op de van Hornekazerne in Weert. Trots als een pauw stapte ik in mijn VT met glimmende sergeantstrepen uit de auto en liep met m’n plunjebaal naar de kantine om me te melden. Ik was ervan overtuigd dat ik acht maanden verkorting kreeg op de opleiding tot beroepsonderofficier. Zes Minuten later was ik een illusie rijker, en bleef ik, ondanks dat ik nog een keer aandrong, steken op vier maanden verkorting. Overigens heb ik daar later nooit moeite mee gehad, sterker nog, ik denk dat ik het heel moeilijk zou hebben gehad met te veel verkorting. Na het inschrijven werd al snel duidelijk dat de opleiding aan de SROKI dan wel prima was en dat mijn eerste korte ervaring als instructeur zeker meetelde, maar de uren die volgden maakten al heel snel duidelijk dat de nadruk hier veel meer op vorming lag, dan op aanleren van vaardigheden. Ons peloton bestond uit allemaal personeel met een dienstplichtig verleden of zelfs een verleden als Kort Verband Vrijwilliger. In ieder geval allemaal met al wel wat ervaring binnen de organisatie, al verschilde die ervaring best veel. Onze groepsinstructeurs, Jan Koelman en Lothar Sendar, waren net van een parate functie overgeplaatst en moesten, net als wij, nog een beetje wennen aan de KMS. Gevolg was dat we heel goed inzicht kregen in hoe een onderofficier flexibel om kan gaan met voor hem onbekende omstandigheden. Zij lieten ons vooral zelf ontdekken hoe zaken in elkaar staken, in plaats van dat ze ons alles gingen voorzeggen of voordoen. We waren immers al ervaren, volgens ons zelf. We hielpen elkaar met de leerstof en zorgen dat iedereen erdoor kwam. Naast de wapenlessen en lessen Onderlinge Instructie was er natuurlijk vrijwel dagelijks tijd voor Lichamelijke Opvoeding en Sport. Die stond steevast ook in het kader van vorming. Zo mochten we allemaal een sport kiezen die we dan tweemaal per week verder uit konden bouwen. Ik koos voor boksen, niet omdat me dat lag, maar omdat ik wel zag dat ik gewoon weinig bij te zetten had en wel wat extra incasseringsvermogen kon opbouwen. De eerste twee lessen was eigenlijk alleen maar touwtjespringen maar aan het einde van de tweede les mochten we eindelijk ‘schaduwboksen’. Er werd door de sportinstructeur, sergeantmajoor Berns, duidelijk gezegd dat het niet de bedoeling was om elkaar te raken! Natuurlijk ging het bij mij fout, ik raakte per ongeluk mijn tegenstander doordat hij naar me toe kwam terwijl mijn bokshandschoen naar voor ging. Natuurlijk gezien door Berns, dus ik werd ‘uitgenodigd’ in de ring, die altijd klaar stond in de hoek van de sportzaal. Ik werd door hem de ring doorgejaagd en na een paar klappen op m’n nieren werd ik uit het boks-klasje gezet… Zoek maar een andere sport, was zijn oplossing. Er was natuurlijk bijna nergens meer plek, en zodoende kwam ik terecht in de loopgroep. Gelukkig had ik voor mijn diensttijd veel duursport (wielrennen) gedaan, dus werd het zeker niet de kortere afstanden. Ik kwam in het team voor de 1500 meter en mocht later ook nog eens meedoen met de 5000 m veldloop voor het KL-kampioenschap. Vraag me niet wat de uitslag was, zo goed was het waarschijnlijk ook niet.

Ik had me inmiddels vrijwillig aangemeld bij de Vaandelwacht, wat natuurlijk een erebaantje, was. Gezien mijn lengte (180cm) was ik een ideale kandidaat en vond het, naast een hele grote eer, ook erg leuk om te doen. Wat minder leuk was, was het feit dat we zaken moesten doen met de Schooladjudant, Ruud Meijer, in onze ogen God Plus! Niet voor niets iemand met het Combat Infantryman Badge op zijn uniform, dus met gevechtservaring in Korea! Om het oefenvaandel op te halen moesten we op zijn kantoor zijn, maar niemand had het lef om aan te kloppen. Iene, miene, mutte, ik was de Sjaak. Gelukkig viel het mee, en verliepen de volgende keren wat makkelijker. Maar, hij wist inmiddels wel mijn naam, en dat was niet altijd even handig.

Vorming stopte natuurlijk niet bij de kazernepoort, soms zelf letterlijk. Op een vrijdag ging ik, gekleed in burger, de poort uit en wandelde met m’n weekendtas op mijn rug naar het station. De Schooladjudant haalde me na ongeveer 2 km op zijn fiets in en zei: Een combinatie van militair en burger is niet toegestaan, ook niet als het om sokken gaat, Verbaant, terug! Vier kilometer extra en drie treinen later begreep ik dat hij nooit had kunnen zien of ik de verkeerde sokken aan had, en dat ik er zelf ingetuind was. Weer wat geleerd.

Vast onderdeel van de opleiding was de Gevechtscursus. Dat was toch wel iets waar we ons allemaal een klein beetje druk over maakten. Ondanks dat onze groepsinstructeurs ons goed voorbereidden op wat er komen ging, hing er een waas van afknijpen over dit deel van de opleiding. En, niet slagen voor de gevechtscursus betekende onherroepelijk doubleren. De druk was dus hoog. En op het tentenkamp wist men die druk nog wel wat op te voeren. Na het melden opstellen. “Voorligsteun, doe er maar twintig” was de eerste opdracht. Kan niet waar zijn, dacht ik nog, we staan in ons nette pak, daarmee gaan we toch niet op de grond liggen en opdrukken? Toch wel. Bijkomend probleem was dat ik die week PelotonsOudste (PO) was, dus ik kreeg direct op m’n donder. Of ik het niet in de hand had? was de vraag. Natuurlijk wel. Dan zorg maar dat het goed komt met die push-ups, en doe er maar tien extra. Die eerste week van de gevechtscursus verliep in een soort van waas. Van het nadoen van het geluid van een zwaardvis, tot het inrichten van een NONEX[2] punt. Wist ik veel wat dat was! Gelukkig kon ik terugvallen op de organieke groepsinstructeurs en waren ook de commando sergeanten Peereboom en Matse niet de beroerdste. Duurde alleen even voordat ik dat door had.

Op de vrijdag werd alles voor het weekend in gereedheid gebracht, en natuurlijk kwam er ook de weekendwacht ter sprake. Ik probeerde slim te zijn, omdat ik vermoedde dat de mensen uit Brabant, vanwege de kortere reistijd, toch wel aangewezen zouden worden. En dat lukte. Ik mocht, yippie, de nachtwacht van vrijdag op zaterdag draaien. Ik stapte op zaterdagochtend in de trein naar Breda, een ritje van ongeveer tien minuten. Vroeg aan een oud vrouwtje of ze me a.u.b. in Breda wakker wilde maken. Ze keek me een beetje meewarig aan, en had daarna veel moeite om me de ogen open te laten doen en me de wagon uit te krijgen. Ik geloof niet dat Jacqueline veel aan me heeft gehad dat weekend. Zondag avond terug, en vol goede moed de tweede week in. Ik was geen PO meer, dus kon me lekker proberen een beetje low-level te gedragen. Dat duurde exact éen dag; de nieuwe PO beviel niet voor de heren van het KCT, dus de vorige, ik dus, werd weer van stal gehaald. Blijkbaar had ik het die eerste week toch nog niet zo slecht gedaan.

Naast de gebruikelijke vorming moesten er gedurende de opleiding ook nog grensverleggende activiteiten worden ondernomen. Er was keuze uit een aantal onderwerpen zoals duiken en parachutespringen. Dat laatste onderwerp was zo populair dat er extra criteria voor werden ontwikkeld. Ik weet niet hoe ik het gehaald heb, maar drie weken na de gevechtscursus stond ik weer op het KCT. De cursusleider herkende me van de gevechtscursus, en zo werd ik ook voor de Para cursus PO. Met hangen en wurgen (Verbaant, je rolt als een gebakje) de cursus gehaald, al heb ik pas het brevet behaald op een later moment. Vanwege de weersomstandigheden konden we de sprongen pas afmaken tijdens onze Wapen Technische Vorming (WTV).  Vorming bleef ook in dit stadium van toepassing. Op een avond kreeg ik de euvele moed om een biertje te bestellen in de onderofficiersmess van het KCT. Wat ik verkeerd deed weet ik allang niet meer, maar bier heb ik nooit gezien.

Een ander vast onderdeel van de opleiding was een stage. In mijn geval was dat bij de D-compagnie van het Opleiding Centrum Algemeen in Grave. Daar konden we de geleerde lessen Instructie Bekwaamheid in de praktijk brengen. Ik kwam erachter dat ik dat erg leuk vond, mensen nieuwe dingen aanleren. Maar leerde ook dat de ene leerling nu eenmaal sneller leert dan de andere, en dat je daar dus flexibel mee moet omgaan. Differentiëren was een woord dat ik toen nog niet kende. Een heel leerzame periode, die wat mij betreft ook heel snel weer moet worden ingevoerd in de initiële opleiding voor Onderofficieren.

Tijdens onze initiële opleiding werden de eerste vrouwen toegelaten op de KMS. Defensie had natuurlijk al wel ervaring met MILVA’s[3] maar nog niet met vrouwen op reguliere functies. We waren al weken vooraf gewaarschuwd dat we zeer zeker het proces niet mochten verstoren. Dat er allerlei extra faciliteiten voor hen werden gecreëerd viel zeker ook bij de vrouwen zelf niet in beste aarde. Het kostte mij in ieder geval mijn eerste douw, terwijl ik in mijn optiek niets verkeerd deed. Maar goed, ook dat was een deel van de vorming. Overigens hebben de eerste vier vrouwen het uiteindelijk niet gered, en zijn ze vooral zelf gestopt. Twee van hen hebben het later opnieuw gedaan en zijn uiteindelijk wel geslaagd.

Al met al heb ik een prima gevoel overgehouden aan de opleiding in Weert. Ik denk dat het grootste deel daarvan te danken is aan de collegialiteit onderling. Daardoor verliep de tijd eigenlijk supersnel en was er zelfs regelmatig tijd voor leuke dingen. Er was voldoende respect voor elkaar, en geen onderscheid in wapen of dienstvak. Allemaal een KMS-embleem op de baret en uniform maakte dat wel makkelijker. We waren na die periode echt al behoorlijk gevormd, ook al besefte we dat zelf misschien nog niet helemaal. Met een klein deel van ons peloton ging ik naar de WTV Infanterie in Harderwijk. Aangevuld met collega leerlingen uit andere pelotons. Ik heb nooit verschil ervaren tussen de doorstromers (wij dus als ex-dienstplichtigen) en lui die van scratch af aan werden gevormd op de KMS. Later heb ik geprobeerd om die ervaringen mee te nemen, omdat daar veel druk op stond.

In Harderwijk was echt alles anders! Wij hadden het geluk om te vallen onder een cursusleider die de klappen van de zweep kende, adjudant Meeuwsen. In zijn uppie kon hij ons tot het uiterste krijgen. Hij zette voort wat we gewend waren van onze ‘parate’ groepsinstructeurs in Weert; veel zelfstandigheid, veel eigeninitiatief, en geen handje vasthouden. Omdat we precies in de periode zaten waarin de infanterie met zowel wielvoertuigen (YP408) als rupsvoertuigen (YPR 765) werkten werden we ook als zodanig opgeleid. Veel, erg veel velddiensten, afgewisseld met theorielessen en veel praktijklessen die we, in het kader van Onderlinge Instructie, zelf gaven. Helaas werd onze klassecommandant halverwege de opleiding vervangen en gingen we verder onder zijn opvolger. Een groter verschil kon er eigenlijk niet zijn. Naar mijn mening was er plots geen respect meer voor de klassecommandant, veroorzaakt door de wijze waarop hij zich direct na aankomst opstelde ten opzichte van ons. In plaats van een volwassen aanpak met heel veel eigen inbreng van de leerlingen, gingen we naar een situatie waarin we aan de hand vastgehouden werden en vooral op theorie werden vastgeprikt. Niet de meest ideale situatie, maar er was geen andere keus. Ook daarmee moesten we kunnen omgaan, dus werd het ook een deel van onze vorming.

Dat het ook anders kon liet de Schooladjudant van de Infanterieschool, Arie ‘FlitsKnal’ zien. Hij gaf zelf twee soorten lessen; NBC[4] en exercitie. Beide waren qua hilariteit een van de hoogtepunten van de wekelijks terugkerende lessen. “Het lijkt wel een geit die op een trommelvel schijt!” En de Sproeiaanval gesimuleerd met een wc-borstel zal iedereen zich ook wel blijven herinneren.

In de periode dat wij in opleiding waren verschenen in Nederland de eerste shoarma-tenten. Met grote regelmaat werd er dan ook voor de hele klas broodjes shoarma gehaald, ik denk dat in het eerste jaar we daarmee de plaatselijk middenstand gered hebben van de ondergang, in het verder erg conservatieve Harderwijk. Op zondag was zelfs het Dolfinarium gesloten!
Na de wisseling van de PC gingen we een beetje terug naar af, voor ons gevoel.
Gelukkig voor ons gingen we in deze periode zelfs twee keer op detachering. Mijn eerste detachering was bij 41 Pantserinfanteriebataljon Stoottroepen in Ermelo. Bij de Schoolcompagnie mocht ik meehelpen bij de schietopleiding. Leuke tijd, veel ervaring op kunnen doen, en dus veel geleerd. Ook het contact met de ‘doorgewinterde’ collega’s die soms ook nog maar net van de WTV af waren maakte wel duidelijk dat ik een hele goed keus had gemaakt! Met mooie cijfers wist ik de eindstreep van de WTV te halen, zonder echte problemen en ik wilde niets anders dan zo snel mogelijk ook paraat worden bij een ‘echt’ infanteriebataljon. De indeling van onze klas was er eentje uit het boekje; vanuit Directie Personeel Koninklijke Landmacht kwamen er twee adjudanten die de mogelijke plaatsingen met krijt op het bord kalkten. Vervolgens kregen we een half uur om de namen achter de plaatsingen in te vullen. Eigenlijk lukte dat wonderwel, op een enkel dingetje na. Helaas hadden we één ‘collega’ die niet wilde buigen, en daardoor barste het hele plan. Na het afgesproken half uur kwamen de adjudanten terug en moesten we bekennen dat we het niet voor elkaar hadden. Eén collega probeerde de situatie te redden, maar dat werd voor hem wel een echte deceptie. Alles werd anders dan we hadden ingevuld en dus kreeg ook de dwarsliggende collega
niet wat hij wilde. Voor mij kwam het 48e Pantserinfanteriebataljon Regiment van Heutsz uit de bus, dus ik was zeker niet teleurgesteld. Ik kreeg waar ik al die tijd naar had verlangd; een plaatsing bij een paraat bataljon, en ook nog in het zuiden van Nederland.

We werden in die tijd opgeleid tot en met pelotonsniveau, in tegenstelling tot de huidige situatie waarin nieuwe onderofficieren worden voorbereid op hun rol als groepscommandant. Daardoor duurde opleiding erg lang, maar ik heb nooit het gevoel gehad dat het te lang duurde. Waarschijnlijk was de mix van nieuwe leerstof, zelfstandig werken, nemen en krijgen van verantwoordelijkheid voldoende om mij het gevoel te geven dat ik er nu ook echt aan toe was. Ik was gevormd tot Onderofficier, nooit te oud om te leren, maar ook niet te beroerd om zaken aan te gaan pakken.

[1] UNIFIL = United Nations Interim Force In Lebanon
[2] NONEX = Non EXercise
[3] MILVA = MILitaire Vrouwen Afdeling
[4] NBC = Nucleair Biologisch Chemisch, later werd dit CBRN = Chemisch Biologisch Radiologisch Nucleair

7 antwoorden
  1. Frits Peters
    Frits Peters zegt:

    Hoi Marijn, wat een prachtige verhalen en zo herkenbaar, ik verheug me al op je volgende stukje.
    Groeten van Frits, een oud collega die nog veel van je geleerd heeft in 1996 bij het 17e.

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *